39.De middenstand in de verdrukking

Venster 39

 

afbeelding 72
afbeelding 73

De veranderingen in de samenleving hielden niet op bij de overgang van agrarische-samenleving naar industriële samenleving. Ook de middenstand kreeg met grote veranderingen te maken. Tot ongeveer 1960 kenmerkte de middenstand zich in de vorm van kleine winkeltjes met elk  hun beperkte klantenkring. In de meeste dorpen telde men meerdere bakkers, kruideniers en slagers. In het buitengebied waren er bovendien veel mensen die nog iets verkochten als een soort bijverdienste. In de dorpswinkels werkte het hele gezin mee (afb. 72. en 73.). Betaalde werknemers was in veel gevallen niet haalbaar. De openingstijden waren dan ook ingericht op het gezinsleven: de winkel was open tot 18.00 uur en tussen 12.30 en 13.30 uur gesloten. Ook op de dinsdagmiddag was de winkel gesloten.

In de dorpswinkel vroeg de winkelier aan de klant wat hij wilde en de winkelier woog het product af en verpakte het. Op een kartonnetje of een kladblaadje werden de prijzen opgeschreven en opgeteld. Vaak werd het aankoopbedrag in een boek opgeschreven om pas bij de zaterdagse boodschappen in een keer te worden afgerekend. Voor de mensen die wat verder weg woonden, werden de boodschappen vaak thuisgebracht. De bakker kwam sowieso meerdere keren per week bij de klanten langs. Een goede bakker wist al bij voorbaat wat de klant op die dag wenste, omdat het koopgedrag van de meeste klanten steeds hetzelfde was.

Door de welvaartstijging veranderde het consumptiepatroon en daarmee het koopgedrag. Bovendien kwam met de reclame ook de kennis van nieuwe producten de huiskamer binnen.

 

Daardoor veranderden ook de behoeften. Mensen wilden ook graag modern winkelen in een zelfbedieningszaak, waar de keuze tussen de producten groot was. Dicht bij huis winkelen was door het bezit van een auto geen noodzaak meer. Winkeliers in de dorpen kwamen door de veranderingen in de problemen. Velen kregen geen opvolger, omdat andere beroepen vaak aantrekkelijker waren vanwege werktijden en inkomen. Veel familiebedrijfjes verdwenen voorgoed. In Ravenstein bleef van de drie bakkers er slechts 1 over. Ook van de drie slagers resteerde er slechts 1.

In Herpen verdwenen 3 bakkers en 2 slagers. Van de 5 kruideniers bleef er ook maar 1 over. In Huisseling verdween het enige winkeltje, net zoals in Overlangel en Deursen. De overgebleven kruidenierszaken veranderden in zelfbedieningswinkels, die zich vaak bij een winkelketen aansloten.