Frans van Dooren 1934 – 2005

Frans van doorenFrans van Dooren werd geboren als oudste van een katholiek gezin, dat tenslotte elf kinderen zou tellen. Zijn vader was ambtenaar van de gemeente Ravenstein. Frans bezocht het Titus Brandsma-Lyceum van de paters Carmelieten in Oss.

Hij volgde er het gymnasium, dat daar toen nog maar kortelings aan de al eerder bestaande hbs was toegevoegd. Na het behalen van het alfa-diploma in 1953 studeerde hij klassieke talen in Nijmegen, waar H.H. Janssen (Latijn) en J.G.A. Ross s.j. (Grieks) zijn belangrijkste leermeesters waren.

Voor de doctoraalstudie koos hij Italiaans als bijvak, bij de hoogleraar J.H. Terlingen. Dat hij aan een universiteit ging studeren was toen niet zo vanzelfsprekend, gezien de gezinssituatie en het ontbreken van een academische traditie in de naaste familie, afgezien van een heeroom die doctor in de wijsbegeerte was.

Opmerkelijk is dat Frans als student niet in Nijmegen woonde, maar heen en weer spoorde, of eigenlijk meestal: fietste. Hij kon daardoor in Ravenstein in zijn vertrouwde sportclubs actief blijven en daarin ook, als intellectueel in de dop, bestuursfuncties vervullen. Na zijn afstuderen in 1959 keerde hij als leraar klassieken terug naar zijn oude school, waar hij bleef tot zijn (pre)pensionering in 1995. Hij trouwde in 1962 met H.E.H. (Henny) Martens. Ze kregen twee zonen en twee dochters.

Twee gebeurtenissen in 1958 zouden voor hem ingrijpende gevolgen hebben: hij las dat jaar voor het eerst Dante’s Divina Commedia en hij fietste in de zomer, op zijn eentje, van Ravenstein naar Pompei, en terug. Zo begon hij aan een tweede leven, een Vita Nuova. Hij raakte op slag in de ban van Dante en van Italië. Deze zielstoestand heeft zijn hele verdere leven voortgeduurd en zijn doen en laten verregaand beïnvloed tot zijn laatste ogenblikken.

Zijn boek Met Dante door Italië. Reizend in het voetspoor van de dichter (2004), in meerdere betekenissen een reisverslag, is ook één lange liefdesverklaring, met terugwerkende kracht, aan Dante en Italië. Bijna vijftig jaar verkeren met deze dichter en vijftig lange vakantietochten in Italië, waarbij hij geleidelijk alle plaatsen bezocht die Dante in zijn Divina Commedia noemt of die anderszins hiermee verbonden zijn, leverden de stof. En Frans van Dooren zou zichzelf niet zijn geweest, als hij over Dante, over de aan hem gerelateerde plaatsen, over zijn tijd, zijn werk en zijn land niet talloze wetenswaardigheden te berde had gebracht. Zelf zag hij dit boek ook als een bijdrage aan de receptiegeschiedenis van Dante.

Zijn liefde voor Italië was niet platonisch. In 1965 begon hij, naast zijn leraarsbaan en zorg voor zijn ontluikend gezin, aan een nieuwe studie in Nijmegen: Italiaans. Door het plotselinge overlijden, nog in hetzelfde jaar, van Terlingen werden Fr. Musarra en C.G. Ballerini zijn leermeesters. Hij studeerde cum laude af in 1971. Hiermee was de basis voor zijn literaire vertalerswerk voltooid.

Kort voor zijn dood publiceerde Frans van Dooren in een speciaal Petrarca-nummer van het tijdschrift Incontri een ‘Brief aan Petrarca’, in navolging van Petrarca’s brieven aan Cicero en aan Vergilius.1 Na Dante was Petrarca zijn meest bewonderde en geliefde dichter. In zijn brief, die in feite een klein, voor zijn doen luchtig maar ook heel persoonlijk essay is over de dichter, hier en daar gelardeerd met eigen biografische bijzonderheden, wijst hij de publicatie van vier sonnetten van Petrarca, met een korte inleiding, in het tijdschrift De Revisor (1974) aan als het begin van zijn ‘Italiaanse carrière’. Dit is overigens – in deze formulering – niet geheel juist, want al in de jaren zestig had hij, nog vóór hij aan zijn tweede studie begon, een geschrift van kardinaal Bea – in samenwerking met Han Wagemakers – en een biografie van paus Paulus vi vertaald, beide op verzoek van uitgever Paul Brand.

In de genoemde brief vertrouwt Van Dooren Petrarca toe dat diens poezie, toen hij er tijdens zijn doctoraalstudie intensief mee kennismaakte, hem tot tranen toe ontroerd had. Hij legt hem uit waardoor die poëzie hem zo aantrok: dat je er altijd zo persoonlijk in aanwezig bent, met je vreugde en droefenis, vervoering en wanhoop, en dat de verzen uitmunten in evenwichtige vormgeving, muzikaliteit en originele beeldspraak. De vier sonnetten van 1974 waren een begin; in 1979 verscheen de bundel Sonnetten en andere gedichten, in latere jaren gevolgd door nog vier, telkens vermeerderde heruitgaven. Bij wijze van geschenk aan Petrarca laat Van Dooren achter de brief een zestal nieuwe vertalingen afdrukken en kondigt hij een nieuwe, hiermee vermeerderde heruitgave van zijn Petrarca-bundel aan. Tussen 1974 en 2005 publiceerde hij van Petrarca verder De dood van Laura (Trionfo della Morte 1, 103-172, 1991) en, vertaald uit het Latijn, Brieven (33 brieven uit de Epystole, 1998).

Frans van Doorens brief aan Petrarca is illustratief voor zijn intieme verhouding met schrijvers. Eerder zei hij daarover: ‘Ik raak in gesprek met de schrijvers die ik vertaal […]. Ik praat met hen, luister naar hen, ik discussieer met hen, ik ga met hen om. Zo heb ik […] zelfs vriendschap gesloten met een groot aantal schrijvers […]. In al deze schrijvers […] herken ik bepaalde facetten van mezelf. Vele kanten van het leven, waarvan ik anders geen weet zou hebben gehad, heb ik via hen ervaren en ontdekt. Het zijn voor mij mensen die ik de moeite waard vind, die ik hoog aansla, die ik bewonder.’4

Van Dooren vertaalde behalve van Petrarca poëzie van de meest verschillende dichters. Van Dante Alighieri (De Goddelijke Komedie, 1987; Vita Nuova, 1988) tot Gabriele D’Annunzio (Madrigalen van de Zomer, 1996), van Torquato Tasso (Jeruzalem Bevrijd, 2003) tot Giacomo Leopardi (Zangen, 1991). Dichteressen uit het Cinquecento (1992) is een bloemlezing van werk van Gaspara Stampa, Vittoria Colonna, Veronica Gambara en nog acht anderen. Het kloeke boek Gepolijst Albast. Acht eeuwen Italiaanse Poëzie (1994) bevat een representatieve bloemlezing uit werk van circa 130 dichters. Het laatste boek dat nog tijdens zijn leven verscheen, was een tweetalige uitgave van de cyclus over de maanden van Folgore da San Gimignano en de volkse, rauw-realistische tegenhanger daarvan van Cenne da Chitarra, onder de titel Maanden van Wel en Wee. Toscaanse Sonnetten (2005); het is een bibliofiele uitgave, met illustraties van Rinus van Dijk.5

Ook proza kwam bij Frans van Dooren ruimschoots aan bod. Zijn vertaling van Niccolò Machiavelli’s Il Principe, onder de titel De Heerser (1976), is een bestseller geworden: in 2004 kwam de negentiende druk uit. De lijst van vertalingen van proza bevat verder de namen Giovanni Boccaccio (Verhalen uit de Decamerone, 1981; 20 verhalen), Dante (Het Gastmaal, 2001, samen met zoon Kees) en de zeer geliefde Giacomo Leopardi (Gedachten, 1976, en Zibaldone, 2001). In de laatste jaren werkte hij aan de vertaling van I Promessi Sposi van Alessandro Manzoni. Toen hij van zijn uitgever te horen kreeg, dat er al een andere vertaling – van Yond Boeke en Patty Krone, 2004 – op het punt stond te verschijnen, werkte hij onverdroten door aan die van hemzelf tot ze af was. Hij vertaalde ook enkele toneelstukken, namelijk van Goldoni, Machiavelli, Wojtyla/Johannes-Paulus ii, en uit het Latijn een aantal Epigrammen van Martialis (1975).

Hij heeft zich meermalen publiekelijk uitgelaten over zijn opvattingen over het vertalen, met name van poëzie. Als groot liefhebber van poëzie en bewonderaar van dichters wilde hij, zoals bij een leraar niet verwonderlijk is, het leesgenot en de bewondering ook op anderen overdragen. Zijn boeken zijn dan ook rijk voorzien van inleidingen, toelichtingen, nawoorden en verantwoordingen. In het eeuwige dilemma van de vertaler: dienaar zijn van de oorspronkelijke auteur of dienaar zijn van de lezers, probeerde hij een evenwicht te vinden, met de nadruk op het laatste wanneer het nodig was een keuze te maken. Hij wilde behalve de inhoud, de boodschap, van het gedicht ook de poëtische middelen waarmee deze gebracht werd – rijm, metrum, opbouw, muzikaliteit, beeldspraak etc. – aan zijn lezers overbrengen. Dit komt erop neer dat hij herdichtingen maakte, die los van de vertaalde tekst gelezen en genoten konden worden.

Dit uitgangspunt legt vormverplichtingen op die nogal eens ten koste gaan van de weergave van de inhoud. Hij vertaalde dus vrij, volgens sommigen soms wel eens te vrij. Maar dat hij hiermee prachtige resultaten boekte, wordt door niemand betwist. Zijn beslissing om de Divina Commedia in proza te vertalen, kwam voort uit zijn overtuiging dat hij hier een uitzondering moest maken. Immers de inhoud van dit werk is zo complex en belangrijk, en de poëtische vormgeving zo rijk en gecompliceerd, dat een nabootsing van deze laatste te veel offers ten koste van de inhoud met zich mee zou brengen.

Aan deze visie hield hij ook vast in een wat zuinige reactie op de Dante-vertaling in versvorm door Ike Cialona en Peter Verstegen, in 2000 verschenen: ja ja, het is mooi gedaan, maar het bevestigt mijn opvatting; er gaat toch te veel van de inhoud verloren. Van Dooren heeft in zijn eigen vertaling de nadruk willen leggen op het verhaal, de draad, op vlotte leesbaarheid, en op het filosofische betoog.Er klonk op Frans van Doorens vertaalpraktijk ook wel eens kritiek. Door zijn gerichtheid op de begrijpelijkheid voor de hedendaagse lezer zou er te veel uitleg in zijn vertaling insluipen en hierdoor zou de lezer te veel door de (sterke) bril van de vertaler moeten kijken. Bovendien zou zijn voorkeur voor gedichten met een ‘heldere boodschap en uitgebalanceerde vorm’ een kalmerend, egaliserend waas over zijn vertalingen gelegd hebben, waardoor ze veelal dezelfde, wat kalme geest ademden.

Van Doorens vertrouwdheid met de oude en oudere Italiaanse schrijvers stelde hem in staat om een Geschiedenis van de klassieke Italiaanse literatuur (1999) te schrijven, enigszins breedvoerig – hier spreekt weer de leraar die zoveel mogelijk ‘kwijt wil’ – maar gedegen en informatief. Zijn grote voorbeeld in dezen was de negentiende-eeuwse literair-historicus Francesco De Sanctis. Even heeft hij het idee gehad ook een vervolg te schrijven, maar onder invloed van kritiek op zijn Geschiedenis zag hij hier later van af.

Hij heeft kwistig honderden artikelen geschreven, al of niet ter inleiding van een of meer vertaalde teksten, werkte mee aan radio-uitzendingen, gaf desgevraagd adviezen en toelichtingen aan musici, componisten en acteurs over Italiaanse teksten, recenseerde jarenlang nieuw verschenen vertalingen uit het Italiaans in het NRC Handelsblad en werd algemeen als dé Dante-deskundige in ons taalgebied erkend. Jarenlang leidde hij met name in Nijmegen, Utrecht en Amsterdam, leesavonden, Lectura Dantis genoemd, gewijd aan de lectuur van en uitleggend commentaar op de Divina Commedia, zoals Boccaccio dat ook al in de veertiende eeuw had gedaan.

Uit eigen ervaring weet ik, hoe hij hiervan genoot en hoe genietelijk en leerzaam deze sessies waren. De Italiaanse regering heeft zijn inspanningen om de kennis van de Italiaanse literatuur en cultuur te verbreiden erkend door hem te benoemen tot Cavalliere all’ Ordine del Merito della Republica Italiana, het hoofdbestuur van de Vereniging Dante Alighieri in Italië door hem de Medaglia d’oro della Società Dante Alighieri toe te kennen.

Hij publiceerde ook eigen gedichten, zij het spaarzaam.10 De laatste jaren verscheen er van tijd tot tijd een sonnet van hem in het dialect van zijn jeugd in het Brabants Dagblad en hij genoot zeer van de reacties die hij hierop kreeg. Hij noemde deze gedichten, waarin soms de weemoed om wat voorgoed voorbij was toesloeg, zijn ‘senilia’.11 Maar het vertalen kon hij nooit meer laten. Toen hij klaar was met Manzoni, werd hij door zijn lichamelijke toestand al zeer gehinderd en beperkt, maar kon hij nog wel werken.

Na lang wikken en wegen over wat hij zou gaan aanpakken, begon hij toen de Principi di Scienza Nuova van de geschiedfilosoof Giambattista Vico (1668-1744) te vertalen, een notoir moeilijk boek, waarmee hij nog op zijn laatste levensdag aan de gang is geweest. ‘En zo blijven we bezig’, schreef hij in een brief d.d. 28 april 2005. Nu houdt hij liefhebbers van de Italiaanse literatuur nog bezig, hopelijk nog lang.

Bron: Marcel van der Heijden, www.dbln.org

 

Noten

1.Incontri 20 (2005) nr. 1, p. 41-45.

2.De Revisor 1 (1974) nr. 6, p. 24-27.

3.Augustinus kardinaal Bea, De eenheid van de Christenen (L’unione dei Cristiani), 1963; Andrea Lazzarini, Paus Paulus VI. Leven en persoon (Paulo VI. Profilo di Montini), 1964.

4.Lezing bij gelegenheid van het in ontvangst nemen van de Martinus Nijhoff-prijs in 1990; tekst, gevolgd door vertalingen van zijn hand van gedichten van Anakreon, Ovidius, Giacomo da Lentino, Quevedo, Goethe, Gérard de Nerval en Tony Harrison, in De Revisor 17 (1990), nr. 5, p. 37-44.

5.Het is ondoenlijk hier alle uitgaven van vertaalde poëzie op te sommen; mij beperkend tot uitgaven in boekvorm noem ik nog de volgende vertaalde auteurs: Folgore da San Gimignano, Mario Luzi, Eugenio Montale, Michelangelo Buonarotti, Alessandro Manzoni en Cecco Angiolieri (de laatste twee in bibliofiele uitgaven).

Wat betreft die ‘zuinigheid’: I. Cialona schrijft in haar ‘In memoriam Frans van Dooren (1934-2005)’ in de Nieuwsbrief Het Schrijvershuis van het Fonds voor de Letteren, herfstnummer 2005, dat hij zonder meer al moeite had met het verschijnen van een nieuwe Dante-vertaling. Hieruit bleek mijns inziens een kwetsbare gevoeligheid die Van Dooren ook parten speelde bij sommige kritieken, op zijn Geschiedenis en zijn Met Dante door Italië, die vooral zijn schrijfstijl betroffen. Dezelfde gevoeligheid maakte hem anderzijds ook zeer dankbaar en blij om de waardering die zijn vertalingen ten deel vielen.

7.Voor zijn opvattingen en praktijk van vertalen, zie de in noot 4 genoemde tekst, het juryrapport voor de Martinus Nijhoff-prijs, artikelen van Van Dooren in Incontri (jrg. 4 (1989), p. 119-121: ‘Dante overbrengen’; jrg. 7 (1992), p. 39-41: ‘Boksen voor Leopardi’) en inleidingen, toelichtingen etc. in boeken van hem.

8.H. Hendrix, ‘Nijhoffprijs voor Frans van Dooren’, in Incontri 4 (1989), p. 179-182.

9.Storia della Letteratura Italiana (1870-1871).

10.Noordbrabants Schrijversboek 1981. ‘s-Hertogenbosch 1981, p. 22-25.

11Jace van de Ven, ‘Een literaire Big Brother’, in Brabant Cultureel 54 (2005), nr. 7, p. 54-57; een boekuitgave van deze dialectgedichten door de Brandon Pers te Tilburg is in voorbereiding.