| home > historie > land van ravenstein > ravenstein > adolf van kleef > philips van kleef | |||
|
Hertogdom
Kleef |
|||
Dit artikel gaat over het hertogdom Kleef dat gedurende ruim 200 jaar (1397-1609) de scepter zwaaide over het Land van Ravenstein en waarvan enkele heren de naam 'Seigneur de Ravenstein' op hun wapenschild droegen. De Zwaanridder In het stadsarchief van Kleef wordt een wapenboekje uit de 15de eeuw bewaard, met daarin de genealogie van het Kleefsevorstenhuis. De onbekende auteur laat de stamboom beginnen met de legendarische komst van de Zwaanridder. Volgens deze Kleefse lezing, die overigens nogal verschilt van de waarschijnlijk authentieke Nijmeegse variant, was op zekere dag de graaf van Kleef overleden en liet hij alleen een dochter Beatrijs na. Andere vorsten waren op haar land en bezit uit en zij zag zich genoodzaakt naar Nijmegen te vluchten, waar ze op het Valkhof onderdak vond. Op zekere dag verscheen er een door een zwaan getrokken bootje op de Waal, met een knappe en tot de tanden gewapende ridder. Deze ridder hoorde van Beatrijs’ zorgen, riep haar belagers tot de orde en zorgde ervoor dat zij haar bezittingen terugkreeg. Zoals verwacht kon worden, trouwde hij met haar onder de merkwaardige voorwaarde dat zij en hun eventuele kinderen niet naar zijn afkomst zouden vragen. Aan die voorwaarde hield Beatrijs zich, tot op zekere dag de vrouwelijke nieuwsgierigheid toch de overhand kreeg: “So lach dese greve (= de Zwaanridder) op een snachts bis sijn vrouwe ende praette”, zo staat er in het wapenboekje. “Ende die grevinne die vraeghde onverhoeds enseide: heer soude gij uwen kijnder niet willen segghen vanwaer gij gecomen sijt?” En niet zonder ironie vervolgt de auteur: “Ende mit den soe wert sij den quijt en sachs niet meer. Ende sij was seerrouwich ende starff bijnenen den selven iaer.” Bij zijn vertrek gaf de Zwaanridder zijn oudste zoon Theoderik (Dirk) zijn zwaard en schild. Hij zou graaf van Kleef worden en met een dochter uit het Henegouwse gravenhuis trouwen. De tweede zoon Godfried kreeg vaders hoorn en vertrok naar het Land van Loon, het huidige Belgisch Limburg. Aan de derde zoon gaf de Zwaanridder zijn ring. Hij was voorbestemd om landgraaf van Hessen te worden en om hem zou de sage van Lohengrin geweven worden.
Historische ontwikkeling Opmerkelijk is dat in deze mythologische vertelling al banden worden gelegd met de Nederlanden. Historisch gezien bestonden er al vroeg, dat wil zeggen in de 10de eeuw, dynastieke banden met Vlaanderen. De kern van het graafschap, na 1417 hertogdom, Kleef werd gevormd door de streek om de stadjes Kranenburg, Kleef en Kalkar, met als machtscentrum de op een steile hoogte (een “klif” of “klip”) boven een oude Rijnarm gelegen Zwanenburcht. Door een gelukkige machtspolitiek kwamen daar in de loop van de tijd vele dorpen en stadjes bij, ook ten noorden van de Rijn en in de omgeving van Wezel en Duisburg. Op het einde van de 15de eeuw kende het hertogdom zijn grootste uitbreiding: het strekte zich uit van de plaats waar het riviertje de Ruhr in de Rijn uitmondde, tot voor de muren van Arnhem. De visvangst in de Rijn, de akkerbouw op de vruchtbare kleigronden aan weerszijden van deze rivier, maar ook de veeteelt en lakenindustrie vormden de economische grondslag van dit hertogdom. De steden, met hun door de gilden aangestuurde ambachtelijke bedrijvigheid, waren de dragers van de welvaart. Tussen ruwweg 1450 en 1550 maakte dit Kleefsland een bloeiperiode door die zijn gelijke niet meer zou kennen. Kleef en het Bourgondië In de contacten met de Nederlanden in de 15de en 16de eeuw heeft vooral de band met het Bourgondisch Hof een dominante rol gespeeld. Het begon allemaal met de verloving en het huwelijk te Atrecht (Arras) in 1406 van Adolf II van Kleef met Maria van Bourgondië, de dochter van Jan zonder Vrees. Na de veldslag in het Kleverham, buiten de stad Kleef, in 1397 kwam een toenadering tussen beide vorstendommen op gang. Uit deze slag kwam Adolf als overwinnaar te voorschijn. Met name de hoge losgelden voor de gevangenen, onder wie de hertog van Gelre, brachten hem rijkdom en daarmee macht en aanzien in het hele gebied van Maas en Rijn. Ook het Land van Ravenstein kwam na de slag in het Kleverham in handen van Kleef.
|
|||
|
|||
|
Wie de geschiedenis van het Kleefsland bestudeert, stuit steeds op de Slag in het Kleverham en het Bourgondische huwelijk als keerpunten, die de Europese opgang van Kleef hebben ingeleid. Met de toegenomen macht en aanzien van Bourgondië groeide ook het aanzien van Kleef. Deze banden met het Bourgondisch Hof bleven niet zonder gevolgen op cultureel en economisch gebied voor het Kleefsland. Een eigen beeldhouwkunst In de loop van de 15de eeuw ontwikkelde zich aan de Nederrijn een eigen beeldhouwkunst, die in de kunstgeschiedenis bekend staat als Nederrijns. Niet in Kleef of andere grote steden van het hertogdom, maar juist in het rijkere, kleine koopmansstadje Kalkar ontstond een werkplaats van beeldensnijders, die tot ver in de 16de eeuw de beeldenstijl zou beïnvloeden. Opmerkelijk is dat de kunstenaars uit deze streek zelf afkomstig waren. De aan het Bourgondisch Hof te Brussel opgevoede hertog Johan (1448-1481) en zijn moeder, Maria van Bourgondië, zijn de veeleisende en stijlbepalende opdrachtgevers. Meester Arnt, ook wel Arnt van Kalkar of van Zwolle genoemd, wordt als de stichter van deze Kalkarse school van beeldensnijders beschouwd. Andere bekende beeldensnijders zijn onder meer: Henrik Douwerman (in de Duitstalige vakliteratuur Heinrich Douvermann genaamd), Jan van Halderen, Dries Holthuys en Kerstken van Ringenberg. Zij voorzagen de kerken in de wijde omgeving van werkstukken die in kunstzinnig opzicht tot de Europese top behoren. De gebeeldhouwde altaren en beeldenschat van de St.-Nikolaikerk in Kalkar, de altaren in de Dom van Xanten, de Stiftskerk van Kleef en de kerk van Kranenburg behoren tot de hoogtepunten van de Nederrijnse kunst. Wie deze kerken bezoekt, zal er de kunst en sfeer zoals die door Johan Huizinga in zijn Herfsttij der Middeleeuwen beschreven werden, herkennen. Kalkar kende geen eigen schildersatelier van betekenis. De meeste geschilderde altaarluiken in de St.-Nikolaikerk en andere kerken in Xanten en Kleef stammen uit de werkplaatsen van de Wezelse schilders Derick Baegert, Jan Joost van Kalkar en Barthel Bruyn, die later in Keulen zijn atelier had. Zij waren onderling verwant en hadden het hele gebied tussen Keulen en Haarlem als werkgebied. Spoedig na 1500 treedt er onder invloed van een economische teruggang een kentering op en begint de neergang van de Nederrijnse kunstproductie. De bekende kunstenaars trekken naar elders: Meester Arnt vestigde zich al eerder in Zwolle, Jan Joost ging naar Haarlem, Joos van Beke, ook wel Van Cleve genaamd, trok naar Antwerpen en Barthel Bruyn vestigde zich in Keulen. Slechts enkele kunstenaars, onder wie Arnt van Tricht, die de renaissance naar het Kleefsland bracht, bleven in Kleef en Kalkar werkzaam. Omstreeks 1540 betrekken kerken en kloosters hun kerkelijke voorwerpen, zoals kelken, paramenten, gobelins en zelfs gebeeldhouwde altaren, niet meer uit de werkplaatsen in de eigen streek, maar bestellen ze die elders in de Nederlanden, meestal in Antwerpen.
Een Nederrijnse staat? In de jaren dertig van de 16de eeuw werd hertog Willem, bijgenaamd de Rijke, heer over de verenigde vorstendommen Kleef (waartoe ook Ravenstein behoorde), Berg, Ravensberg, Mark, Gulik, en na 1538 ook Gelre. Het zag er even naar uit dat een staat zou ontstaan die zich uitstrekte van Friesland tot de Eiffel en van het Teutoburgerwoud tot de Maas. Een gevolg van deze macht en aanzien was het bekende huwelijk van Hendrik VIII van Engeland met Anna van Kleef, de zuster van Willem de Rijke. Ondanks het feit dat het huwelijk om politieke redenen ontbonden werd, toont haar grote grafmonument in Westminster Abbey in Londen aan hoe hoog men het Kleefse vorstenhuis in die tijd aansloeg. Met de Nederrijnse vorstendommen erfde Willem de Rijke ook de strijd van keizer Karel V om Gelre. In militair opzicht bleek hij niet opgewassen te zijn tegen de Habsburger en in 1543 moest hij in het Verdrag van Venlo het hertogdom Gelre afstaan. Keizer Karel voegde dit gewest als laatste toe aan de Nederlanden, die hij enkele jaren later, in 1548, een staatkundig verband gaf in de vorm van de Bourgondische Kreits. De vesting Ravenstein werd op last van Karel V in deze periode ontmanteld. Vlaamse geloofsvluchtelingen Niet alleen moest hij afstand doen van het hertogdom Gelre, maar daarnaast verplichtte hertog Willem zich er ook toe om de katholieke godsdienst in zijn erflanden te behouden. Wat de godsdienstproblematiek betreft, stelde Willem zich meestal open op. Aan de ene kant volgde hij de verordeningen van Karel V; aan de andere kant liet hij de aanhangers van de hervormingsbeweging te Wezel en andere plaatsen praktisch ongestoord hun gang gaan. Deze zo men wil liberale houding van de Kleefse overheid bood kansen aan de velen die vooral in de Zuidelijke Nederlanden voor hun geloof vervolgd werden. Zij kwamen in drie golven naar het Kleefsland. Vóór 1555 kwam er een grote groep uit Engeland, waar zij tot dan toe een veilig onderkomen gevonden had. De tweede invasie volgde na 1566, toen in Vlaanderen en Wallonië de calvinistische gemeenten ontbonden werden. De laatste vluchtelingengolf bereikte het Kleefsland na 1585, dus na de val van Antwerpen. De aantallen vluchtelingen waren enorm. Zo nam de stad Wezel, die nog geen 20.000 inwoners telde, tussen 1544 en 1583 ongeveer 8000 vluchtelingen op. De vooral calvinistische vluchtelingen stichtten er hun geheime gemeenten onder het Kruis, daar het openlijk belijden van het calvinisme officieel niet toegestaan was. In sommige Kleefse plaatsen ontstonden zelfs drukkerijen, waar boeken en bijbels geproduceerd werden voor illegale verspreiding in de Nederlanden. Om een eigen ondergrondse kerkelijke organisatie voor de Nederlanden op te bouwen, riep men in het diepste geheim in 1568 de Synode van Wezel bijeen, waar onder meer Marnix van St.-Aldegonde aanwezig was. Niet alleen voor protestantse vluchtelingen vormde het Kleefsland een toevluchtsoord. Ook katholieken die onder het protestantisme te lijden hadden, zochten er een uitwijkplaats. Zo woonden kloosterzusters uit Muizen bij Mechelen enkele jaren in Kalkar, evenals bisschop Metsius van Den Bosch. Na de alteratie, de overgang naar het protestantisme van Amsterdam, vluchtte de burgemeestersfamilie Bam in 1578 naar deze Kleefse stad en bracht er onder andere de stadsmonstrans in veiligheid. Tachtigjarige Oorlog en ondergang De vluchtelingen uit de Nederlanden die zich in de steden van het Kleefsland gevestigd hadden, vormden een zeer strijdbare groep tijdens de opstand van de Nederlanden tegen Spanje. In de eerste jaren van de opstand brachten zij grote sommen geld bijeen om de oorlogsvoering tegen Spanje mogelijk te maken. Kleef zelf had niet veel meer in te brengen. In de tweede helft van de 16de eeuw had Kleef veel aan span- en veerkracht ingeboet en werd het een willoze speelbal tussen de elkaar bekampende partijen in de vrijheidsstrijd van de Nederlanden. Het hele gebied tussen Maas en Rijn werd een open oorlogsterrein, waarbij alleen binnen de muren van de steden enigszins de veiligheid gegarandeerd kon worden. Tot de grote militaire gebeurtenissen behoort zeer zeker ook de verovering van Wezel in 1629 door de Staatse troepen, die er tot 1672 zouden blijven. In juli 1635 viel, eveneens door verraad, de strategisch aan de splitsing van Rijn en Waal gelegen vesting Schenkenschans in handen van de Spanjaarden. Een zware strijd, onder leiding van prins Frederik Hendrik, bracht de Schenkenschans in het voorjaar van 1636 weer in Staatse handen. De gevolgen voor de streek waren verschrikkelijk. Zo werd het stadje Griethuijsen (Griethausen) op de kerk na verwoest en Kleef, dat eveneens in het voorjaar van 1636 door de Staatsen werd ingenomen en geplunderd, verloor tweederde van zijn bevolking. Na de Vrede van Münster in 1648 bleven in de Rijnsteden Emmerik, Rees, Wezel, Buderik en verder stroomopwaarts in Rijnberk en Orsoy Staatse garnizoenen gelegerd. Net als in Ravenstein overigens, dat twee keer (van 1618 tot 1631 en 1635 tot 1672) een Staats garnizoen binnen zijn muren gelegerd kreeg. Het land van Kleef bleef berooid achter. Het vorstendom Kleef, dat in de geschiedenis van de Lage Landen een niet onbelangrijke rol had gespeeld, verloor zijn zelfstandigheid na het uitsterven van het vorstenhuis in 1609. Uit de successiestrijd kwam het Oost-Duitse Brandenburg, het latere Pruisen, gesteund door de Staten-Generaal, in 1614 als overwinnaar naar voren. Johan Maurits van Nassau en de Kleefse parken Na de verwoestingen die het Kleefsland op het einde van de Tachtigjarige Oorlog teisterden, veranderde de stad Kleef in de jaren 1650-1670 sterk van uitzicht. In deze periode liet Johan Maurits van Nassau, die bekend staat als de bouwer van het Mauritshuis in Den Haag en in 1647 benoemd werd tot stadhouder van het hertogdom Kleef, verschillende parken en tuinen in en om de stad aanleggen. Daarvoor haalde hij Hollandse bouwmeesters als Jacob van Campen (van het Paleis op de Dam) en Peter Post naar Kleef. De tuinen ademden toentertijd de sfeer van de arcadische landschappen in Italië en pasten in de kunststijlen van die tijd: het classicisme en maniërisme. Nadat de tuinen in de loop van de eeuwen drastisch werden veranderd of zelfs totaal vervielen, werden de afgelopen twintig jaar enkele tuinen weer in hun oude glorie hersteld. De tweede helft stond overigens sterk in het teken van de politieke en culturele contacten met Holland. Dat was mede te danken aan het feit dat prinses Louise-Henriette, de dochter van Frederik Hendrik en gehuwd met de Brandenburgse keurvorst, liever in het Prinsenhof te Kleef verbleef dan in het verre Berlijn of Potsdam. In deze intensieve wisselwerking met Holland komen naast de namen van de reeds genoemde bouwmeesters ook de namen van bijvoorbeeld de schilder en leerling van Rembrandt, Govert Flinck, en de dichter Joost van den Vondel voor. Hij schreef bij de aanleg van de parken en tuinen enkele prachtige gedichten. Geestelijk leven in 17de en 18de eeuw Vanaf het begin van de 17de eeuw vormde het Kleefsland een vooruitgeschoven post van de Contra-Reformatie, gericht op het herstel van het katholicisme in de republiek. Daar was vanaf ca. 1570 het katholieke geloof officieel verboden en kon men het alleen ondergronds belijden. Vooral Emmerikse drukkerijen voorzagen de katholieken in de Republiek van gebedenboeken en zangbundels. Sommigen verschenen zelfs met goedkeuring van de Pruisische boekencensuur. Van de andere kant deed de Verlichting er al vroeg haar intrede, vooral via hoge Pruisische ambtenaren. Onder het bestuur van Frederik de Grote, die sterk beïnvloed werd door Voltaire – zij waren lange tijd bevriend en ontmoetten elkaar voor het eerst in de zomer van 1740 in het kasteel Moyland, halverwege tussen Kleef en Kalkar – drongen de nieuwe ideeën ook in het dagelijkse leven van het Kleefsland door, onder andere in de vorm van een moderne onderwijspolitiek. En omgekeerd gingen revolutionaire ideeën vanuit Kleef naar Frankrijk. Daarbij speelden enkele vluchtelingen uit Frankrijk een rol. Zij gaven er de Courier du Bas Rhin uit, een tijdschrift waarin zaken als de mensenrechten aan de orde kwamen, zoals men die in de preambule bij de Amerikaanse Grondwet (1776) had geformuleerd. Zo trad op het einde van de 18de eeuw ook kanunnik H.G. Eskes uit het Rijnstadje Rees op de voorgrond. Hij had met zijn religieuze, filosofisch-moralistische en historische geschriften, waarvan de meeste in het Nederlands gesteld waren, een grote invloed bij de verspreiding van de “ware” en de bestrijding van de “valse” Verlichting onder de bevolking in Gelder- en Kleefsland. Het Nederlands in het Kleefsland Tijdens een oppervlakkig bezoek aan het land aan de Nederrijn zal al snel opvallen dat het Duits niet de oorspronkelijke taal van die streek is. Plaatsnamen als Huisberden, Warbeyen, Keeken, Niel, Esserden en Veen wijzen duidelijk in die richting. Let men beter op de plaatsnamen, dan zal het opvallen dat in namen als Duffelward het Nederlandse woord “waard” en in Moyland het woord “mooi” voorkomt. Hetzelfde geldt voor talloze toponiemen, zoals Vossengatt, Oyvernest (Ooievaarsnest) en Peerendyck. In verschillende plaatsen heeft men een straat genaamd “Kerkend”, “Kerkpad” of “Kerkpacke”. In Kalkar heet een bolwerk “Op de Wacht”, in Kleef een straat “Hagsche Poort” en in Emmerik draagt een stadswijk de naam “Speelberg”. In Xanten komt de aanduiding “Am Gruithuus” (= Gruithuis) voor. Het feit dat ook vele achternamen nog Nederlandstalig zijn, bevestigt wat men op grond van bovengenoemde toponiemen en straatnamen al kon vermoeden, namelijk dat het Duits er pas recent als gangbare taal ingang heeft gevonden. Ofschoon met de komst van Pruisische ambtenaren in de 18de eeuw een eerste vorm van verduitsing op gang kwam, begon de feitelijke verduitsing pas in de 19de eeuw. In december 1827 kwam er een eis van het gouvernement in Dusseldorp dat de onderwijzers in de lagere scholen in de toenmalige Kreisen Kleef, Meurs, Gelder en Rees voortaan in het Duits les moesten geven. Ook in de kerk moest de Duitse taal voortaan worden gebruikt. In een circulaire van de bisschop werd dit aan de dorpspastoors meegedeeld. De antwoorden op de circulaire uit het dekenaat Kalkar zijn bewaard gebleven. Enkele pastoors schrijven vlot Duits, maar de meesten hebben er duidelijk moeite mee. Er zijn er ook die in het Nederlands antwoorden. Een voorbeeld van een dergelijke brief is afkomstig van pastoor Van Laak uit Grieth: “In Grieth heeft men seedert lange jahre den onderricht in de kerk voorgedraagen in het hollandsch, het grootste gedeelte der gemeendenaren verstaan geen duytsche taal, daarbij ben ik dezelve niet machtig.” Nederlands verdrongen Ondanks protesten wordt met ingang van 1828 het onderwijs niet meer in het Nederlands gegeven. De gevolgen zijn groot. De generatie die na 1828 de schoolbanken bevolkt, wordt tweetalig opgevoed. Thuis wordt Nederlands gebruikt en op school leert men Duits. Na 1870 sterft de generatie uit die nog min of meer perfect Nederlands heeft leren lezen en schrijven. Daarmee is de band van de Kleefse bevolking met het levende Nederlands volledig verbroken. Men leert de taal niet meer lezen en schrijven. Noodgedwongen valt men terug op de gesproken taal, het dialect, dat nu volledig op zichzelf staat en zienderogen verarmt. Met gerichte overheidsmaatregelen slaagde Pruisen erin het Nederlands als officiële verkeerstaal te verdringen. De in 1816 ontstane Duits-Nederlandse grens werd daarmee een nauwelijks te overwinnen barrière, waardoor de eeuwenoude taalkundige en culturele verwevenheid met de Nederlanden werd verbroken. Met het wegvallen van de grenzen, een van de zegeningen van de Europese Unie, dienen zich nieuwe gelegenheden en kansen voor hernieuwde samenwerking aan, waarbij de oude staatkundige, economische en culturele banden een inspirerend richtsnoer kunnen zijn. De tijd is aangebroken om de grenzen te ontgrenzen. Bron: Wim van Heugten, in : 'Amicitia Tolerantia', 2006, Nieuwsbrief jrg. 25 nr. 6
|
|||