home > historie > land van ravenstein > ravenstein > waer een paradis > latijnse school

De latijnse school Gymnasium Aloysianum

   

Latijnse school in Ravenstein aan de Groote Kerkstraat (huidige Luciastraat). Gebouwd in 1752 en gesloopt in 1905 toen het gebouw plaats moest maken voor een nieuw gemeentehuis.

Na de inname van Den Bosch in 1629 door Frederik Hendrik moesten de  jezuïeten de stad ontvluchten. Zij vestigden zich toen in het vrije Land van Ravenstein en in 1636 kregen zij ook het parochiepastoraat van het  Ravenstein in handen. Op één na waren alle Ravensteinse pastoors tussen 1636 en 1865 leden van de Societas Jesu. Hun kerk was klein van omvang, opgebouwd na de stadsbrand van 1606. Toen in 1735 de nieuwe Luciakerk werd opgeleverd, kon het oude kerkje plaatsmaken voor een Latijnse School. Het was de Ravensteinse jezuïeten niet ontgaan dat de kruisheren in Uden in 1743 een dergelijk college hadden gesticht. Zo’n initiatief bood mogelijkheden om jongemannen op te leiden tot het priesterschap. In 1752 was het in Ravenstein zover: de in 1729 opgerichte Loterij, die ook de bouw van de Luciakerk mogelijk had gemaakt, bleek voldoende geld in kas te hebben, niet alleen voor de nieuwbouw, maar ook voor de salarissen van de leraren van het Gymnasium Aloysianum. 

Ravenstein kreeg dus gymnasiasten binnen zijn grenzen. Hoewel we bij de Latijnse school aan een soort middelbare school denken, moeten we ons realiseren dat Latijnse scholen in het algemeen zeven- of achtjarige opleidingen waren en begon als de kinderen meestal ongeveer acht jaar oud waren. Sommige kinderen die er heen gestuurd werden hadden daarvoor nog niet leren lezen en schrijven, dus in de eerste klas ging daar de meeste aandacht naar uit. Elke leraar had meestal voor een volledig leerjaar de verantwoordelijkheid, maar alhoewel er accenten waren per jaar, werden met name in de hoogste klassen bijna alle vakken gegeven. Dat betekende dat de betreffende leraar een soort universeel genie moest zijn. En dat was natuurlijk onmogelijk. Het peil van de Latijnse school zal alleen daardoor op zijn minst zeer wisselend genoemd moeten worden. In de lagere klassen vormden na het lezen en schrijven zelf, Latijnse grammatica en syntaxis de hoofdschotel van de leerstof. Zo spoedig mogelijk volgden het lezen en vertalen uit het Latijn, daarna uitsluitend het lezen zelf, ten slotte het schrijven van brieven in het Latijn. Bij versleer leerde men vaardigheden die bij het vervaardigen van gedichten van pas kwam. Ook werd de welsprekendheid geoefend door het houden van voordrachten, met als hoogtepunt het houden van een twistgesprek (Disputatio). Om de leerlingen extra aan te sporen tot ijver werden jaarlijks zogenaamde 'prijsboeken' uitgereikt aan de twee beste leerlingen van elke klas: de primus en de secundus. Van het Ravensteinse Gymnasium zijn nog enkele 'prijsbanden' bewaard gebleven (zie afb.). Ook het spelen van toneelstukken was een beproefd middel om de vaardigheden in praktijk te brengen. Jaarlijks voerden de studenten een openluchtspel op in een uitneembaar theater dat dan werd opgebouwd op de Markt. Het ging dan vooral om klassieke toneelstukken van bijv. Terentius, Seneca, Sophocles, Euripides, Aristophanes of Plautus. Vaak schreven de docenten ook eigen toneelstukken. Een aantal toneelstukken zijn bewaard gebleven. Naast de klassieke vakken was het Godsdienstonderwijs altijd erg belangrijk. Ook het aanleren van het Gregoriaanse gezang hoorde hier bij. In de hogere klassen werd er ook natuurkunde, medicijnleer, rechtswetenschappen, geschiedenis en aardrijkskunde gegeven, maar de hoeveelheid en de kwaliteit van deze vakken moet men in het algemeen niet al te hoog schatten.

Uit beschrijvingen van Latijnse scholen in andere plaatsen weten we dat het een streng leven was. De leerlingen moesten dagelijks zeer vroeg opstaan (soms al om vier uur). Dgelijks misbezoek was verplicht. Ook de vespers e.d. moesten bezocht worden.  Daarna volgden ellenlange koorgebeden. Elke student droeg een uniform. Het was verboden om te zwemmen, te schaatsen, met sneeuwballen te gooien, te kaarten, te dobbelen, op stelten te lopen en om duiven of konijnen te houden. Behalve in de kerk mocht er geen muziek gemaakt worden. De scholen deelden op een gegeven moment strafpunten uit aan jongens die tegen wat dan ook gezondigd hadden. Bij meer dan vijf strafpunten per week moest je de hele week daarna binnen zitten en strafwerk maken. Gezinnen dienden slechts om kinderen te voeden en slaapgelegenheid te bieden, het grootste deel van de dag werd het leven gedicteerd door de regels van de school.

Het gymnasium heeft bestaan tot 1878. Al sinds 1814 huurde de gemeente in het monumentale gebouw enkele lokalen voor de secretarie en de raadzaal. De bovenverdieping was vanaf 1852 ‘teekenschool’. De gemeente heeft het oude gymnasium gebruikt tot het begin van de 20e eeuw. In 1905 moest het gebouw plaatsmaken voor een ‘echt’ gemeentehuis met een torentje, van gemeentearchitect H.J.Caners, die tevens directeur van de tekenschool was. Maar ook dit gemeentehuis had niet het eeuwige leven: in 1978 kwam er een nieuw gemeentekantoor voor in de plaats. In zijn uiterlijke vorm verwees deze nieuwbouw direct naar de oude Latijnse School. De voormalige notariswoning daarnaast werd raadhuis, totdat het einde 2002 gedaan was met de gemeentelijke zelfstandigheid van Ravenstein.

 

reageer op dit verhaal


 

Aankondiging treurspel door studenten van de Latijnse School op de markt in Ravenstein. 1783.

 

 

In 1905 moest de Latijnse School plaats maken voor een nieuw gemeentehuis. In 1978 werd dit gebouw gesloopt en werd er op deze plek een nieuw gemeentejantoor gebouwd naar tekeningen van de oude Latijnse School. Foto uit 1927

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Prijsbanden van het Gymnasium Aloysianum in Ravenstein. 18e eeuw. Bibliotheek Universiteit van Maastricht.In 1805 en 1811 waren een zekere Peter Brouwer en de Amsterdammer Johan van Meegen de bollebozen de gelukkigen die een prijsband in ontvangst mochten nemen. Zo werd een geschiedenisboekje over Zwitserland (Bern 1656) uitgereikt.