| home > projecten > leerlooierij > bouwgeschiedenis | |||
|
Bouwgeschiedenis van leerlooierij Suermondt |
|||
|
Geschiedenis van het looierijgebrouw In 1885 vroeg schoenfabrikant Ignaat Suermondt een hinderwetvergunning aan voor het oprichten van een leerlooierij aan de Middelstraat, achter zijn woonhuis aan de Marktstraat (thans nr. 30). Hiertegen maakten omwonenden en de Inspecteur Volksgezondheid bezwaar omdat de plaats tussen bewoonde huizen niet geschikt werd geacht; de vergunning werd geweigerd [2]. Daarop vroeg en kreeg Suermondt vergunning voor de aanleg van een leerlooierij op een tuinperceel op den Wal [3]. De vergunningaanvraag vermeldt dat hij daartoe zal bezigen houten kuipen, op en in de grond te plaatsen, voorts aldaar te verzamelen huiden, looi en aldatgene wat gerekend kan worden tot 't bedrijf of de uitoefening eener leerlooierij te behooren. Op de bijgevoegde plattegrond is te zien dat het perceel aan de zijde van de stadsgracht door aanplemping is vergroot (vgl. kadastraal minuutplan [1]) en dat aldaar een looikuip is gesitueerd. Het onderhavige gebouw zal gelijktijdig zijn opgetrokken, immers op de kadastrale schattingskaart van 1886 staat aan de waterkant een gebouw getekend met de omtrek van het huidige pand [1]. Het betreft hier een houten looischuur met een werkplaats en droogzolder en een aangebouwde bakstenen bergplaats. Kenmerkend voor dit type gebouwen is de uit horizontale houten planken opgetrokken verdieping met daarin een groot aantal ventilatieluiken ten behoeve van het drogen der huiden; het looien gebeurde op de begane grond [6]. In 1888 nam Ignaat Suermondt de in 1852 opgerichte leerlooierij/schoenfabriek Ravo over van zijn vader J.J. Suermondt. Aanvankelijk was deze fabriek gevestigd in een huis aan de Nieuwstraat (ter hoogte van het huidige nr. 26). In 1894 en in 1898 is deze fabriek uitgebreid met enkele buurhuizen aan de Nieuwstraat, en vanaf 1902 zou hij de huizenrij geleidelijk gaan vervangen door fabrieksgebouwen. Omstreeks 1920 besloeg de fabriek een groot complex tussen Nieuwstraat, Fabriekstraat en Walstraat. Dit complex is geheel afgebroken nadat in 1959 aan de Stationssingel een nieuwe schoenfabriek was gebouwd; in 1977 is deze Ravo-schoenfabriek gesloten. Thans herinnert alleen de oude looierij aan de stadsgracht nog aan deze voorheen voor Ravenstein belangrijke tak van nijverheid. Hoe lang het gebouw in bedrijf is geweest is niet bekend, vermoedelijk is de productie al snel overgebracht naar het steeds verder uitdijende fabriekscomplex aan de Nieuwstraat. Bekend is wel dat het perceel in gebruik bleef als tuin van de familie Suermondt en dat de looierij dienst ging doen als tuinhuis (zie foto's W. Suermondt [5]). Afgezien van enkele wijzigingen (o.m. het aanbrengen van de tuindeuren) is het gebouw gaaf bewaard. Aangaande de situering kan nog opgemerkt worden dat het terrein tussen de Walstraat en de stadsgracht is ontstaan na het slechten in 1675 van de stadswal en door de gedeeltelijke demping van de gracht. Het terrein werd opgedeeld in langgerekte tuinpercelen tussen Walstraat en gracht. In de tweede helft van de 19de eeuw zijn op diverse van deze percelen aan de oostzijde van het stadje industriële gebouwen opgericht (1866 wind-koren/schorsmolen [Van Duren]; 1867 gasfabriek; 1876 boterfabriek [fa. Rijken]; 1901 smederij [Caners]); al deze gebouwen zijn inmiddels verdwenen. Beschrijving van het pand De voormalige leerlooierij van Suermondt is gesitueerd op een ruim tuinperceel zuidwestelijk van Walstraat nr. 18. Het gebouw bestaat uit een tweelaags houten schuur onder zadeldak (nokrichting evenwijdig aan de stadsgracht) en een aan de noordwest-zijde hieraan aangebouwde eenlaags bakstenen bergplaats onder aankappend lessenaardak. De looischuur is geplaatst op een in kruisverband gemetselde bakstenen voeting. De wanden hebben een beschot van horizontaal rabatwerk (inwendig is de schuur met brede delen beplankt). Het houtwerk is crème-wit geverfd; de hoeklatten en de omranding van de vensters zijn oud-rood geverfd. De kopgevel aan de zuidwest-zijde is later beschoten met eterniet-platen. De aanbouw, gemetseld in halfsteens verband, staat tegen de (houten) noordwest-wand van de schuur. Het dak is gedekt met rode muldenpannen (op het schild aan de stadsgracht-zijde) en blauwe oudhollandse pannen; twee ijzeren daklichten. Het aan de grachtzijde ruim overstekende dakschild is gootloos. De kopgevels hebben een ruim overstek dat is voorzien van geprofileerde windveren met een fraaie makelaar-bekroning met krulwerk. De windveren zijn doorgezet langs de flauwere dakhelling van de bakstenen aanbouw. In de zuidwest-gevel zit een later aangebrachte dubbele tuindeur (oorspronkelijk een enkele klampdeur [5]) en rechts hiervan een eveneens later geplaatst groot venster; in de stenen aanbouw ook een dubbele tuindeur (oorspronkelijk een tweeruits venster [5]). De zuidoost-gevel (aan de grachtzijde) heeft een symmetrische indeling met beganegronds twee vierruits stolpvensters en op de verdieping twee tweeruits klepramen (afhangend aan kruisgehengen). In de noordoost-gevel zit een oude klampdeur van brede delen (met kruisgehengen; de deur is later voorzien van twee ruiten) en op de verdieping een klepraam als voornoemd; aan weerszijden hiervan zitten brede horizontale ventilatieluiken; in het bakstenen deel enkele later aangebrachte (hergebruikte) ramen. Interieur. Onder de vloer van de bakstenen aanbouw ligt een grote put, mogelijk een looiput. Beganegronds is de werkplaats met een houten wand (op stenen voeting) gescheiden van de bakstenen bergplaats; zo ook op de verdieping, alwaar via een deur (strokendeur met houten greep) de droogzolder in verbinding staat met de zolder van de aanbouw. Boven de begane grond ligt een enkelvoudige balklaag. In de noordhoek van de werkplaats voert een steektrap (met trapkast) via een luik (met contragewicht) naar de droogzolder. De naden van de droogzoldervloer zijn gedicht met latten. In de kopwanden zitten brede horizontale klepluiken (negen in de zuidwest-gevel en zeven in de tegenoverliggende wand). De klepramen in de lange wand zijn voorzien van binnenluiken. Ook boven de droogzolder ligt een enkelvoudige balklaag. Hierop ligt de, eveneens met overnaadse latten gedekte, vloer van de kapzolder (met duivengaten in de zuidwest-wand). Drie licht-gekromde spanten met makelaar dragen de onbeschoten kap. Bron Monumentenbank op deze website
|
|
||