home > land van ravenstein > ravenstein

La bataille de Ravenstein

   
Miniatuur uit de 'Chroniques' van Jean Froissart. Bataille de Ravenstein, entre Brabançons et les habitants de la Gueldre (1388). Bibliotheque National de France,  fol. 330v, Flandre, Bruges, XVe s.

Wie vandaag de dag over de Maasdijk van Ravenstein naar Neerloon wandelt komt voorbij de A-50 brug bij de Staaijstraat. Deze straatnaam verwijst naar een eeuwenoude doorwaadbare plaats (=staaij) daar ter plaatse die Ravenstein en Brabant met Gelderland verbond. Op deze plaats is eind juni 1388 een enorme Brabantse legermacht de Maas overgestoken om aan de Niftrikse kant slag te leveren met het leger van Willem I hertog van Gelre. De veldslag werd een enorm fiasco voor de Brabanders. In zijn wereldberoemde 4-delige boek 'Chroniques de France, d'Angleterre, d'Écosse et d'Espagne' heeft de 15e eeuwse kroniekschrijver Jean Froissart (1337-1404) de zogenaamde 'Bataille de Ravenstein' beschreven. Zijn verhaal is verluchtigd met twee prachtige middeleeuwse miniaturen die de slag verbeelden. Op de eerste afbeelding hierboven zie we hoe de Brabantse troepen door de Geldersen de Maas in worden gedreven. Rechts is Ravenstein afgebeeld, de stad links is mogelijk Nijmegen. Getty Museum. Master of the Getty Froissart (Flemish, 15th Century). The Soldiers of Brabant Entering Ravenstein, ca. 1480-1483. Flanders (Bruges?). Tempera colors, gold leaf, gold paint and ink on parchment bound between pasteboard covered with green morocco. De tweede afbeelding, hiernaast in het klein afgebeeld, laat de Brabantse soldaten zien die Ravenstein binnentrekken. Hoewel het handschrift onderdeel uitmaakt van Froissarts Chroniques is de tekenaar waarschijnlijk niet dezelfde als van de eerste miniatuur. Klik op het miniatuur om het handschrift in  vergroting te bekijken.

Wat gebeurde er in juni 1388?

De slag bij Ravenstein moet worden geplaatst tegen de achtergrond dat Brabant en Gelderland gedurende de 14e eeuw voortdurend met elkaar in oorlog waren om de macht en hegemonie in de regio. Aan het Hof van de Brabantse hertog was in het voorjaar van 1388 het besluit genomen om een nieuwe poging te ondernemen om Grave op de Geldersen te heroveren. De reden was dat de Geldersen zich niet zouden hebben gehouden aan het vredesverdrag van 1387. De Geldersen waren namelijk, in tegenspraak met het akkoord, niet uit Grave weggetrokken. Zelfs hadden zij de stad extra van nieuwe verdedigingswerken voorzien en met manschappen versterkt. Een nieuwe Brabantse belegering van de hoofdstad van het Land van Cuijk moest echter beter geschieden dan het voorgaande mislukte beleg van 1386. In mei 1388 was de benodigde Brabantse troepenwerving voor de herovering van Grave in volle gang. Rotten uit de steden Leuven, Brussel, Nivelles en andere plaatsen tot ‘s-Hertogenbosch toe, werden opgetrommeld. Vanuit ’s-Hertogenbosch zou centraal naar Grave opgetrokken worden. De totale Brabantse troepenmacht zou ongeveer 40.000 man bedragen, waaronder 15.000 voetknechten, aangevoerd door 800 ridders te paard.

De grote Brabantse legermacht, die inmiddels tot Herpen was opgetrokken, boezemde militaire verkenners en Willem hertog van Gelre grote angst in. Willem liet hertogin Johanna van Brabant weten alsnog bereid te zijn om Grave met zijn troepen te verlaten. In het Brabantse kamp was voor dit nieuwe Gelderse aanbod evenwel geen meerderheid te vinden; de Brabantse steden wilden zekerheid en buit of algehele geldelijke compensatie van de Gelderse hertog. De Brabantse legermacht vergden handen vol geld. Daarop volgde in de zomer van 1388 het herbeleg van Grave vanuit de zuidwestelijke oever van de Maas. De beschietingen en bombardementen op de stad haalden die hete zomer echter niet veel uit, zelfs een gehoopte uitbraak van pest, via overgeschoten kadavers met ondragelijke stank, bleef uit. De in Grave en omgeving gelegerde Gelderse troepen stoorden regelmatig de belegeraars. Brabantse bevoorradingstroepen, die onbeschermd in de nabijheid lagen van het Graafse kamp, werden door deze Gelderse krijgsmannen overvallen. Deze Geldersen hadden op verschillende plaatsen in het land van Cuijk hun kampementen en tenten opgeslagen, onder andere in en bij het Sambeekse kasteel Hatendonck.

Brabant kon Grave aan de maaszijde niet belegeren. Via de Maas bleef er een open verbinding bestaan met het Gelderse achterland. De door de belegering gehoopte capitulatie en algemene overgave van de stad Grave bleef uit. De Brabantse legerleiding besloot daarop een schipbrug te bouwen om zo de proviandering van Grave over water af te snijden. De brug bouwden zij echter onder schootsafstand van de stad, zodat de Geldersen de halfgebouwde brug in brand konden schieten. Daarop besloten de Brabanders op een andere wijze een legeronderdeel naar de overzijde van de Maas te brengen. Op geheim gehouden plaatsen wilden ze via ondiepten en doorwaadbare plaatsen de Maas oversteken. Er werden twee geschikte oversteekplaatsen vastgesteld: één, stroomopwaarts van Grave, tussen Cuijk via het eilandje de Middelweerd naar Mook en één, stroomafwaarts, tussen Ravenstein en Niftrik. Ondanks de geheimhouding hiervan waren toch aanwijzingen over een mogelijke overtocht doorgedrongen tot hertog Willem. Hij wist alleen niet precies waar en wanneer die oversteek zou plaats hebben. Het Maaskasteel Middelaar bij Mook werd onder meer extra door Geldersen bezet en ook elders werden ruiterposten op de uitkijk uitgezet.

Geheel onverwacht staken op een van de laatste dagen van juli 1388 circa 10.000 Brabanders, voor een deel ridders en knapen en voor een deel gewapende stedelingen, de Maas over tussen Ravenstein en Niftrik. De overtocht bij Ravenstein naar Gelders grondgebied verliep nagenoeg probleemloos. Doordat de militaire route en maasovertocht gepaard waren gegaan met veel plundering en brandstichting, wisten waarnemers van de Gelderse hertog de Brabantse legerlocaties in het Land van Maas en Waal. Rookpluimen verraadden hun posities in Wijchen, Niftrik, Keent en Balgoy. Prompt werd groot alarm geslagen in het Gelderse kamp. Hertog Willem besloot tot een directe aanval in de vroege morgen van de 30e juli over te gaan. De overgestoken Brabanders, moe van het plunderen en nog deels in hun harnas slapend, werden geattaqueerd. De verrassingsaanval van de Gelderse keurtroepen (gesproken wordt over vier of vijf honderd zwaar gewapende ruiters en knapen) geschiedde in vol galop. Hertog Willem had in zijn laatste toespraak zijn krijgers vurig toegesproken en gezegd: De heilige Maagd, aan wie ik mijn gelofte heb gedaan, zal voor ons strijden. Volgens de historicus Pontanus riep de hertog: ‘Voorwaarts! Voorwaarts! In naam van God en Sint Joris. Ontrol mijn banier. De heilige Maagd, die ik mijn gelofte heb gedaan, zal voor ons strijden!’ De felle attaque gebeurde op paarden met losse teugels, getrokken gevelde lans en luide aanroeping van de strijdkreet ‘Maria, Gelre, Gelre’. Een moedig jeugdig Gelders ridder, geheten Herman van Moerbeek, beet het spits af en galoppeerde spoorslags met zijn paard met gevierde teugel en groot bravoure door het Brabantse legerkamp. Met uitgetogen zwaard joeg deze jonge edelman op de vijand in. Daarbij staken hij en zijn ruitergroep direct een aantal Brabanders neer, waarop onder fel gedruys van de Geldersen, algehele paniek onder de Brabantse gelederen uitbrak. Circa drieduizend doden bleven op het slagveld. Een vluchtende ongeordende groep van circa 1200 Brabanders sprong vluchtend weer in de Maas en verdronk jammerlijk. Veel Brabantse edele ruiters, wier namen om discretie uit de kronieken gehouden zijn voor hun nageslacht, hadden al snel het hazenpad gekozen. De gehele slag duurde nauwelijks twee uur. Naast de gesneuvelde Brabanders werden er ook veel krijgsgevangen genomen. Volgens Nijhoff bedroeg het getal der gevangenen meer dan de Geldersen zelf aan manschappen telden. Krijgsgevangenen waarvoor de familie flink in de geldbuidel wilde tasten, konden later met losgeld vrijgekocht worden. Velen hadden zich overgegeven en zich in krijgsgevangenschap naar Nijmegen laten voeren. Willem I trok met zijn krijgsgevangenen en zeventien Brabantse banieren en enige buit rechtstreeks naar Nijmegen. Buiten Nijmegen zelf werden ook gevangenen in bewaring gehouden te Nijenbeek op de Veluwe. In Nijmegen bezocht de hertog meteen de Mariakapel, waar hij de Moeder Gods bedankte voor de overwinning. Zijn wapenuitrusting legde hij aan de voeten van het Mariabeeld neer alsook de vaandels of bannieren van zeventien gevangen Brabantse edelen. Diverse gevangenen werden in een toren van het Valkhof vastgezet. Een deel van de krijgsgevangenen zou zich meteen hebben vrijgekocht. Minder  kapitaalkrachtige Brabanders zaten jaren gevangen en moesten muren metselen aan de zuidkant van het Valkhof. In het Gelders hertogelijk archief bevindt zich informatie betreffende het innen van het losgeld van Brabantse gevangenen, die gescat syn. De gevangenen kwamen van Hees, Nystelrade, Os, Berchgen, Roessmael ende Sunte Helprechts, Giffen, Dynteren, Heeswyc, Vechgel, Nuwelant en Erpe.

Hertog Willem liet ter nagedachtenis aan zijn overwinning op Brabant bij Niftrik op het slagveld (de ‘Strijdkamp') een kapel bouwen. Deze kapel werd gesticht op 21 september 1392 en was gewijd aan O.L. Vrouw, St. Victor, St. Johannes en St. Paulus. Bovendien schonk de hertog een geldbedrag aan O.L. Vrouw in Wijchen, zoals blijkt uit de hertogelijke rekening van Henric van Steenbergen over het jaar 1388, waarin een post is opgenomen die luidt: ‘Item een el kamkaets, dat mijn lieven Heere deede gheven onss zueter Vrouwen beelde tot Wygchen, doe hy gestreeden had, tot eenre mantelen, 6 gulden’. Blijkbaar was dit offer een dankgave voor zijn overwinning op Brabant.

In de historische literatuur is de 'Bataille de Ravenstein' ook wel bekend geworden als de 'Slag bij Niftrik'. Froissart schreef echter in opdracht van de Hertogin van Brabant, hetgeen een verklaring kan zijn voor zijn naamgeving van de slag.

CV december 2007


Bronnen:

- Bibliotheque National de France

- J.P. Getty museum, Los Angeles

- Meertensinstituut

- http://van-asseldonk.nl