| home > historie > ravenstein > vestingwerken | ||
|
Uitleg over de vestingwerken |
|
|
Een vestingstad is een militair verdedigbare stad, gelegen op een strategische plaats aan een grens of een samenkomst van belangrijke land- of waterwegen. Nederland heeft er een aantal van binnen zijn grenzen. Denk bijvoorbeeld aan Bergen op Zoom, Willemstad, Gorinchem, Woudrichem, Den Bosch, Naarden, Brielle, Maastricht, Grave en....Ravenstein! De vestingwerken van Ravenstein hebben een interessante geschiedenis. Door de eeuwen heen zijn ze uitgebreid, geslecht, weer opgebouwd en gemoderniseerd en tenslotte definitief gesloopt. Op een aantal restanten na die vandaag de dag nog goed herkenbaar zijn. Op deze pagina wordt de bouwhistorie van de Ravensteinse vestingwerken uitgelegd. Tevens gaan we in op de vraag wat er nog aan verdedigingswerken over is en hoe we deze restanten kunnen herkennen. Inleiding In de middeleeuwen worden steden beschermd door middel van hoge muren met torens en grachten. In de 15e en 16e eeuw wordt duidelijk dat deze stadsmuren en torens niet langer bestand zijn tegen de steeds krachtiger wordende kanonnen. In Italië bedenkt men een nieuw verdedigingssysteem (o.a. Leonardo da Vinci). In plaats van hoge muren, komen er lage, dikke muren en worden de muurtorens vervangen door veelhoekige uitspringende bouwsels: bolwerken of bastions. Van hieruit kan de vijand worden beschoten en op afstand worden gehouden.
In Nederland kan men de Italiaanse methode niet gebruiken. Die is te duur en bovendien zou de bouwtijd te lang duren. Zo komt men in de Lage Landen tot de ontwikkeling van een eigen variant: het Oud Hollandse Vestingstelsel. Het lijkt in grote lijnen wel op het Italiaanse systeem , maar bevat ook nieuwe elementen. De verdedigingswerken bestaan uit aarden wallen en zijn daardoor goedkoper en sneller op te werpen en minder kwetsbaar voor artillerievuur. Liggen de verdedigingswerken aan stromend water, dan wordt ze aan de voorzijde voorzien van een stenen muur. De werken worden vrijwel altijd omgeven door een gracht met water. De verdedigingswerken bevatten bastions en in de grachten liggen ravelijnen. Dit zijn voortuitgeschoven verdedigingswerken die de poorten moeten beschermen. Aan het einde van de 17e eeuw ontstaan er nieuwe inzichten en ontwikkelt men het Nieuw-Hollandse stelsel dat veel ruimer van opzet is en waarin de inzichten van de Franse vestingbouwers zijn verwerkt. De vestingwerken in Ravenstein zijn volgens dit Oud Hollandse Stelsel gebouwd. |
||
|
||
|
De bouwgeschiedenis De
stedelijke verdedigingsgordel van Ravenstein, bestaande uit muren,
aardwerken en omgrachtingen, is aangelegd in de eerste helft van de 17de
eeuw. Hieraan voorafgaand heeft in de periode 1380-1544 een middeleeuwse
verdedigingsgordel bestaan, waarvan delen bewaard bleven. De allereerste
bouwactiviteiten schijnen rond 1360 te hebben plaatsgevonden. Volgens oude
berichten heeft destijds Walraven van Valkenburg, heer van Herpen, zijn
huis in Herpen afgebroken en de stenen meegenomen; hij bouwde aan een
nieuw huis op de Weert in de Maas. Dit werd kasteel Ravenstein, een
vesting bij een riviertol. Aan de bijbehorende nederzetting zijn door
Walravens opvolger, Reynoud van Valkenburg, stadsprivileges verleend,
waarbij de kasteelheer zich verplichtte de stad te helpen in het onderhoud
van haar muren en poorten (de Landtchaerte
van Ravensteyn van 1380). Volgende landsheren, behorend tot het huis
Kleef, bevestigden deze afspraak. In de kasboeken van 1487 en 1488,
waarvan de tekst bewaard bleef, boekte de rentmeester van Ravenstein
inderdaad bedragen voor aanzienlijke hoeveelheden baksteen, rijshout en
palen, te gebruiken in de muren, poorten en bolwerken van de stad. In de
afrekeningen van 1487 is sprake van bolwerken aan de kant van de rivier.
De afrekeningen van 1488 noemen behalve het bolwerk achter de Maaspoort
ook een bolwerk voor de Stadspoort. Later heeft landsheer Philips van
Kleef de stadsverdediging nog versterkt (zoals vermeld wordt in zijn
testament, 1526 (de rondelen Kasteelse Bok en Oranje Bok?),
maar het einde van de vesting Ravenstein kwam kort hierna. Keizer Karel V
dwong Willem van Kleef ertoe "aff
te breecken ende daer neder te worpene alle de bolwercken, wallen,
sterckten ende vestenisse vander stadt ende slote van Ravesteyn, ende
die grechten te laeten vullen" en liet hem beloven dat er nooit
meer een nieuwe vesting gemaakt zou worden (tractaat van Venlo, 1543). Om
de afbraak des te grondiger te laten uitvoeren is het werk niet aan de
Ravensteiners overgelaten, maar opgedragen aan de Bosschenaren, die de
vesting Ravenstein gaarne zagen verdwijnen. Hoe
het er met de Ravensteinse verdediging precies voorstond aan het begin van
de Tachtigjarige Oorlog is onduidelijk. Ravenstein kreeg nu een nieuwe,
machtige nabuur -de Republiek der Verenigde Provinciën- waarvan het
stadje de macht bleef voelen gedurende de hele 17de en 18de eeuw. De
Republiek drong de stad een Staats garnizoen op, dat in 1621 op weinig
zachtzinnige wijze de stadsverdediging ging reorganiseren. Een aanzienlijk
deel van de stad en van de aangrenzende dorpsbebouwing is in dat jaar
afgebroken om Ravenstein te kunnen uitbouwen tot een riviervesting naar
Hollands model. De nieuwe bastions kregen on-Ravensteinse namen als Orange,
Hollants en Utrechts, zo
blijkt uit een bewaardgebleven kaart van de nieuwe vestingaanleg. De kaart
laat een geheel door water omgeven vesting zien met aan de landzijde drie
bastions (waartussen twee ravelijnen) en aan de rivierzijde twee
bolwerken (waartussen een rechtgetrokken rivierfront). Een Maasarm -de
Binnenmaas- stroomt langs de vesting, die ook in het rivierbed een
ravelijn heeft liggen. Aan de buitenzijde van de brede vestinggracht
liggen een contrescarp en, ter dekking van de rivier en de dijk, een
tweetal hoornwerken. Een derde hoornwerk, dat de uitvalsweg bij de
Landpoort bestreek, staat wel op deze kaart maar is waarschijnlijk nooit
uitgevoerd; het ontbreekt op andere kaarten van de vesting. Ook op enkele
andere punten zijn de bewaardgebleven vestingkaarten onduidelijk of
tegenstrijdig. Blijkens
deze kaarten bestonden in de 17de eeuw het kasteel en (restanten van) een
oude stadsmuur nog: de nieuwe vestinggordel was er buitenom gelegd. Het
kasteel, dat aan de noordkant van de stad met een slotgracht omringd ligt,
wordt aangegeven als een vierkant gebouw met twee hoektorens. Er hoorde
kennelijk een ommuurde en omgrachte voorburcht bij (de tegenwoordige
Kasteelseplaats), met een poort naar het stadje en een poort naar buiten.
De omgrachting en ommuring van de voorburcht sloten aan de zuidzijde aan
bij de grachten en muren van het stadje. De oude stadsmuur is op de
kaarten weergegeven met muurtorens, een Maaspoort, een Landpoort, en een
restant van de oude stadsgracht. Deze muur heeft het volgende beloop: bij
de Maaspoort volgt deze de rivieroever (achter de huidige Kolonel
Wilsstraat, oneven zijde), maakt dan een scherpe hoek landinwaarts (achter
de huidige Nieuwstraat, even zijde), vervolgens loopt hij westwaarts
(achter de huidige Winkelstraat, even zijde) en na een verspringing
opnieuw westwaarts (achter de huidige Sint Luciastraat, oneven zijde) om
aan te sluiten bij de ommuring van de voorburcht. Bij de genoemde straten
zijn muurresten teruggevonden die de kaartgegevens bevestigen, met name
aan de achterzijde van de huizen aan de Nieuwstraat (achtergevels
gefundeerd op stadsmuur-resten), bij de Walhoek en bij de Sint Luciastraat
(tuinmuur gefundeerd op stadsmuur-resten), terwijl opgravingen bij het
einde van de Kolonel Wilsstraat ('de Bok') in 1993 resten aan het licht
brachten van de hoek waar de riviermuur aansluit op de landinwaartse muur.
Toch blijven er omtrent de geschiedenis van de stadsmuur nog diverse
onduidelijkheden bestaan. De vraag is bijvoorbeeld hoeveel er van de
oorspronkelijke stadsmuur nog overeind gestaan zal hebben na de afbraak
van 1544. Is wellicht in 1544 de onderbouw van de stadsmuur gespaard omdat
de onderbouw als waterkering onmisbaar was? In
het jaar 1631 trok het Staatse garnizoen af, onder medeneming van al zijn
houten palissades. De hertog van Neuburg, de toenmalige landsheer van het
Land van Ravenstein, legde een nieuwe haven aan met een bolwerk, maar aan
onderhoud van kasteel en stadswallen schijnt hij minder te hebben gedaan.
Toen de Republiek namelijk enkele jaren later besloot om Ravenstein
opnieuw te bezetten trof het Staatse garnizoen de verdedigingswerken in
slechte conditie aan, vandaar dat er rond 1638 wederom onder leiding van
de Republiek is gewerkt aan de fortificaties. De Staatse soldaten bleven
in Ravenstein gelegerd tot 1672. Op
een 17de-eeuws stadsgezicht van Ravenstein, weergegeven vanaf de overkant
van de rivier (naar een tekening van Ioannes Peeters), zien we op een
eilandje de omwalde voorpost, die door een lange houten brug verbonden is
met de Maaspoort. Deze met twee torens versterkte poort ligt voor de
eveneens met torens versterkte riviermuur, welke aan beide einden op de
volgens geometrische principes aangelegde omwalling aansluit. De
betrouwbaarheid van de prent is echter dubieus, want de weergave van de
belangrijkste gebouwen wijkt ver af van wat andere bronnen ons leren. Een
tekening uit 1674 (van Valentijn Klotz of van Josua de Grave?) laat een
riviermuur zonder torens zien, hetzij dat ze inmiddels afgebroken waren,
hetzij dat ze nooit hebben bestaan. De Maaspoort is op deze tekening
slechts een gemetselde doorgang in de hoge waterkering op de rivieroever.
Een soortgelijke gemetselde doorgang bestond in de stadswal aan de
landzijde (de 17de-eeuwse Landpoort), zoals is te zien op een schets van
Philips de Koninck uit 1651. De tekeningen van 1674 en 1651 laten ook het
kasteel zien en een deel van de 17de-eeuwse vestinggordel. Bij
het oprukken van de Fransen in 1672 verlieten de Staatsen Ravenstein. De
hertog van Neuburg werd volledig in zijn gezag hersteld, nadat hij met het
Franse leger overeengekomen was dat de vesting zou worden ontmanteld. De
ruime tuin, die de Staatse commandant jarenlang tot zijn beschikking had,
schonk de hertog aan de pastorie. Het kasteel oftewel 'het hof' bleef de
zetel van het hertogelijk bestuur. Dit kasteel, over een lange houten brug
toegankelijk vanaf de Kasteelseplaats, is in de 18de eeuw nog getekend
door J. van Croes en door Jan de Beijer. Wat de tekeningen ons laten zien
is een sterk slot van 14de-eeuwse aanleg, dat bestaat uit drie hoge
woonvleugels (met een of twee hangtorentjes) en twee zware vierkante
hoektorens, waarvan één overhoeks is geplaatst. Op de tekeningen van Van
Croes en De Beijer is van stedelijke verdedigingswerken niets meer te
zien: na de ontmanteling hebben deze geen rol van betekenis meer gespeeld. Waarschijnlijk
in 1762 is op de Kasteelseplaats een tweelaags herenhuis gebouwd als
ambtswoning voor de rentmeester. De voormalige voorburcht was veranderd in
een geplaveid plein met iepen en lindebomen. Aan de ene zijde bevond zich
in de afsluitende bebouwing de oude doorgang naar de stad (de
Kasteelsepoort); aan de andere zijde was er een soortgelijke doorgang
tussen stalgebouwen. Toen de Franse legers op het eind van de eeuw opnieuw
oprukten, maakten zij van die stalgebouwen legerbakkerijen. Er volgde een
brand, waarbij alle bebouwing aan die zijde van de Kasteelseplaats
verdween. Het kasteel zelf is door de Fransen in verhuur gebracht, want
het Land van Ravenstein verloor zijn souvereiniteit. Op de Kasteelseplaats
werd een ereteken voor de Franse idealen opgericht. Toen de door de
Fransen veroverde gebieden later opgingen in het nieuwe Koninkrijk der
Nederlanden werd tot sloop van het kasteel besloten. Bij de zeer grondige
afbraak (1818) schijnt de Kasteelseplaats met het voormalig kasteelterrein
te zijn verenigd door een stuk gracht vol te storten. Het kasteelterrein
werd een boomgaard en de Kasteelseplaats een weiland. De eigenaar van
boomgaard en weiland bewoonde de voormalige rentmeesterij en gebruikte de
overige dienstgebouwen als schuur, met uitzondering van het woonhuis aan
de Kasteelsepoort. Dit poorthuis was in 1816 aan de Gereformeerde
gemeente afgestaan, ter huisvesting van de dominee. De
17de-eeuwse Landpoort was wellicht al eerder afgebroken. In 18de-eeuwse
stadsrekeningen is nog sprake van de bruggen die voor de Landpoort liggen
(de houten bruggen zijn in 1718 vernieuwd), maar op het kadastrale
minuutplan van 1832 is de poort opgeruimd en zijn de bruggen vervangen
door een dam. De Maaspoort bleef bestaan en kreeg een nieuwe betekenis
doordat langs de Maas een nieuwe dijk met een verkeersweg was aangelegd.
De stadsgrachten waren, volgens een notitie uit 1803, weinig anders meer
dan moerassen. Waarschijnlijk is men omstreeks 1672 al begonnen de grond
van de wallen in de grachten te plempen, hetgeen tot in de 20ste eeuw
voortduurde. Op de afgegraven wallen ontstond een wandelweg die met zijn
slingeringen het oude beloop van de vestingwerken volgt. Buiten deze weg
lagen tuinen. In 1872 is in de vroegere tuin van dokter Van Roosmalen
(onderaan bastion Utrecht) een katholiek kerkhof aangelegd, en in
hetzelfde jaar of kort daarna in de vroegere tuin van dominee Hanewinkel
(op ravelijn Polleke) een hervormd kerkhof, zodat de bestaande
begraafplaatsen (tegenover de Luciakerk [ter plaatse van de huidige
binnenplaats achter het gemeentehuis] en links naast de hervormde kerk en)
in de toenmalige bebouwde kom gesloten konden worden. In
1872 is Ravenstein op het spoorwegnet aangesloten. De spoorlijn Nijmegen -
's-Hertogenbosch is door het noordelijke hoornwerk gelegd, met een
spoordijk waarvoor de Binnenmaas moest worden afgedamd en met een brug
over de Maas; het spoorwegstation lag ten westen van de stad. Binnen
Ravenstein vond een bescheiden uitbreiding plaats langs de Landpoortstraat
en de voormalige stadswallen, waar met name aan de Walstraat zich diverse
industrieën vestigden. In
1923 is de gemeente Ravenstein samengevoegd met haar buurgemeenten, zodat
de noodzakelijke uitbreidingen voortaan buiten de stadsgracht konden
plaatsvinden. Een toenemende waardering voor het historisch stadsbeeld
leidde er sedertdien toe dat men de gracht herstelde en door
boombeplanting het aanzien van een singel gaf, terwijl 'storende
bebouwing' is verwijderd. De industrie-bebouwing langs de Walstraat is in
recente tijd vervangen door woningbouw, waarbij het open karakter van het
gebied gehandhaafd bleef. De omgeving van het verdwenen kasteel is lang
onbebouwd gebleven vanwege drassigheid. Na diverse grondophogingen is het
kasteelterrein ingericht als plantsoen. Wat
is er nog over van de vestingwerken? Van
het kasteel is niets meer te zien. Enkele restanten zijn aan het
licht geweest bij opgravingen in 1951 en 1993. Op de plaats waar het
gebouw gestaan heeft ligt nu een plantsoen, dat aan de noord- en oostkant
wordt omgeven door water. Het kasteel was kleiner dan het huidige
plantsoen is, en de omgrachting was aanmerkelijk breder. Het water
onderlangs de Van Coothweg, de Maasdijk en achter de bebouwing van de
Lombardstraat gaat nog terug op de oude slotgracht. Het water achter de
bebouwing aan de Sint Luciastraat is een uitbreiding van 1995, toen het
gebied is aangepast vanwege de bouw van bejaardenwoningen en de aanleg van
parkeervoorzieningen. Aan
de zuidwestkant sluit bij het kasteelterrein de Kasteelseplaats aan, waar
voorheen de bijgebouwen van het kasteel stonden. Het zusterhuis van
klooster Nazareth wordt gevormd door de in 1922 ingrijpend verbouwde
18de-eeuwse rentmeesterij. De kapel en de school, die links en rechts
aansluiten bij het zusterhuis, zijn volledig 20ste-eeuws; alleen hun
situering herinnert nog aan de vroegere bebouwing. De achtertuin van het
klooster ligt aanmerkelijk lager dan de Kasteelseplaats: hier lag
voorheen de voorburcht-gracht. Kasteelsepoort.
De voorburcht was van de marktstad afgescheiden door een muur, die bewaard
gebleven is als onderdeel van de oostgevels van Kasteelseplaats 1,
Kasteelseplaats 2 en een deel van de westgevel van Sint Luciastraat 11.
Deze muur, tegenwoordig grotendeels bepleisterd, is enkele meters hoog en
zo'n zestig meter lang. Halverwege deze muur bevindt zich de ingang van de
Kasteelsepoort. De poortdeuren zijn uit deze ingang verwijderd (zie de
sporen in het metselwerk). Boven de poortdeuren bevond zich een op drie
balken opgelegde eiken zoldering, met een zware deuraanslag. Deze
houtconstructie is bewaard gebleven boven de huidige, gepleisterde
zoldering (XIX). In
de Kasteelsepoort is in de noordelijke zijmuur een grote rondboognis
uitgespaard. Later is deze nis goeddeels dichtgemetseld. Bij de
tegenovergelegen zijmuur van de poort sloot een gebouw aan dat
toegankelijk was vanuit de poort. Dit gebouw had een bovenverdieping met
afzonderlijke toegang vanuit de poort. Sporen van de beide toegangsdeuren
zijn terug te vinden in het metselwerk, evenals het spoor van een hoog
geplaatste muuropening (lichtgat?). De zijmuren van de poort zijn
middeleeuws, het poortgewelf niet. Het
bij de poort aansluitend gebouw (poortwachtershuis?) is bewaard gebleven
in het huidige pand Kasteelseplaats 1. De gevel aan de zijde van de
Kasteelseplaats is door latere aanbouw een binnenmuur geworden. Deze gevel
bevat sporen van twee reeksen vensters en restanten van een daklijst. Van
de benedenste vensterreeks zijn tegenwoordig drie vensters
gereconstrueerd. In dezelfde gevel was, dicht bij de poort, waarschijnlijk
een traptoren opgenomen (zie funderingsresten en de aanzet van een
gemetselde trap). De aansluiting van deze gevel op het oorspronkelijke
poortgewelf (een ietwat gedrukt tongewelf) bleef volledig intact. De
andere lange gevel, aan de stadszijde, correspondeert met de zojuist
genoemde, thans bepleisterde muur. Het poortgebouw is belangrijk
gewijzigd in de 18de eeuw, en waarschijnlijk ook al eerder. Restanten van
middeleeuwse stookplaatsen en vloeren bleven daarbij behouden. De
middeleeuwse stadsmuur.
Een vergelijkbare middeleeuwse poort is de Maaspoort, die vanaf de rivier
toegang gaf tot het stadje. De Maaspoort is een (bepleisterd) tongewelf
tussen twee zeer zware zijmuren. De beide zijmuren zijn tegenwoordig
opgenomen in de woonhuizen die aan weerszij van de poort zijn aangebouwd.
Een bovenverdieping, zo die ooit bestaan heeft, was in de 17de eeuw al
verdwenen; het belendende woonhuis Kolonel Wilsstraat 1 is vervolgens
uitgebreid met een kamer bovenop de Maaspoort. Tegelijk met dit woonhuis
kregen de beide frontgevels van de poort in de 19de eeuw een bepleistering
in blokverband. De riviermuur, waarvan de Maaspoort een onderdeel was, is
(althans bovengronds) geheel verdwenen. Een tweede stadspoort, die waarschijnlijk aan het begin van de Landpoortstraat stond (is de zware keldermuur onder de zijgevel van Marktstraat 1 een restant van de poortfundering?), is mogelijk al in 1544 verdwenen, toen ook het grootste deel van de stadsmuur is neergehaald. De middeleeuwse stadsmuur bestaat niet meer, al zou een enkel stuk zwaar muurwerk -zoals in de achtergevel van Nieuwstraat 34- bij nader onderzoek nog een restant kunnen blijken te zijn. Wel is het beloop van de middeleeuwse stadsmuur nog herkenbaar in de lijn waarop veel achtergevels aan de Nieuwstraat (even zijde) staan; een dergelijke lijn zou ook te onderscheiden zijn achterlangs de bebouwing aan de Kolonel Wilsstraat (oneven zijde), bij de Winkelstraat (even zijde) en bij de panden Marktstraat 1-5 en Brouwerijstraat 2-6. De onderbouw van de oude stadsmuur is in de 20ste eeuw meermaals aan het licht gekomen bij bouw- en rioleringswerkzaamheden (Walhoek), en tevens bij archeologische opgravingen (kasteelterrein, terrein 'de Bok'). Een enkele keer is in een kelder nog een mogelijk restant van de onderbouw te zien (b.v. Nieuwstraat 2, 6-8 en 34). De buiten de muur gelegen gracht heeft zijn sporen nagelaten in de stadsplattegrond. De tuin van de pastorie, nog altijd aanmerkelijk lager gelegen dan zijn omgeving, is een restant van deze gracht. Toen de pastorietuin in de 18de eeuw met een muur werd omgeven, kon daarbij gedeeltelijk de onderbouw van de stadsmuur worden benut. Bij archeologische opgravingen zijn in 1997 de vermoedelijk uit 1521-22 daterende rondelen de Kasteelse Bok en bij de aansluiting van de Walstraat op de dijk gelokaliseerd. Van
de 17de-eeuwse stadswallen en bastions is nog wel het beloop te
zien maar niet de oorspronkelijke vorm. Waarschijnlijk zijn de grachten
geleidelijk aangeplempt met aarde van de stadswal. Drie delen van de wal
die min of meer hun hoogte behielden
bevinden zich onder de korenmolen en bij de beide aansluitingen op de
huidige Maasdijk. Bij de noordelijke aansluiting op de Maasdijk ligt een
hoog met bomen beplant restant van bolwerk Rokocx, waarop een 19de-eeuwse
theekoepel
staat. In 1999 is het bolwerk gedeeltelijk in oude staat
teruggebracht. De Maasdijk (die minder hoog is dan het walfragment) ligt
hier precies op het tracé van de vroegere riviermuur (met ter plaatse een
sluisje); aan de buitenzijde van de dijk is het bolwerk (ook wel Kasteelse
Bok genaamd, met uit vermoedelijk 1521-1522 daterend rondeel) nog vagelijk
te herkennen. Onder Cafe 't Pumpke treffen we een intact kruitmagazijn aan
uit dezelfde periode. Bij de zuidelijke aansluiting op de Maasdijk ligt het
restant van bolwerk Orange. Ook dit bolwerk is in 1999 gedeeltelijk
gerestaureerd. Het bastion Utrecht of molenbastion heeft zijn hoogte behouden
en fungeert als molenbelt (oorspronkelijk een 17de-eeuwse standerdmolen,
later een achtkante molen [zie minuutplan 1832] en sedert 1857 een
stellingmolen). De twee andere bastions aan de landzijde, bastion Holland
in het zuiden en bastion Famars in het westen, zijn nog terug te vinden
doordat de Walstraat en de stadsgracht op beide punten een scherpe hoek
hebben, maar hun hoogte onderscheidt zich nog maar weinig van het
omgevingsniveau. In de aarden bolwerken en bastions hebben zich gemetselde, overwelfde gangen bevonden. Of het gangenstelsel zich nog verder uitstrekte en er verbindingsgangen van het ene bastion naar het andere waren is onzeker. In bolwerk Rokocx bevindt zich een overwelfd vertrek, waarvan een toegang aan de buitenzijde van het bolwerk zichtbaar is. In bastion Famars bevindt zich een overwelfde gang die enige jaren geleden gedeeltelijk opgegraven is. Tegenwoordig is de gang weer toegedekt; alleen een deel van de gewelfkruin is in het zicht gelaten. Bij bastion Utrecht bevindt zich een ingestorte overwelfde gang, waarvan een gedeelte aan het licht is geweest bij de bouw van het Toeristisch Informatie Centrum (1995), bij de westhoek van dat gebouw. In bastion Holland bevindt zich een gang waarvan restanten aan het licht kwamen bij rioleringswerkzaamheden in de Walstraat en op de Van Kesselplaats. De kelder onder de uitbouw van Walstraat 18 maakte mogelijk ooit onderdeel uit van deze gang. Van een gang in bastion Orange is een gedeelte bewaard onder het pand Maasdijk 36. De
17de-eeuwse stadsomwalling had twee poorten. Als rivierpoort is kennelijk
de middeleeuwse Maaspoort in gebruik gebleven. Als landpoort werd een
nieuwe stadspoort gebouwd (XVIIA), die nadien is gesloopt. De poort stond
waarschijnlijk aan de zuidzijde van de huidige kruising
Landpoortstraat/Walstraat/Molensingel. Ter plaatse van het huidige pand
Landpoortstraat 3 stond de bij de poort behorende kortegaard (hoofdwacht).
Het huis Landpoortstraat 7 bevat een dik muurfragment dat mogelijk met de
omwalling in verband staat. In het tracé van de Landpoortstraat is nog
het beloop bewaard van de twee lange houten bruggen die van de landpoort
naar de contrescarpe leidden. De twee bruggen kwamen samen op het ravelijn
Halve Maan, dat tegenwoordig zijn vorm kwijt is, maar nog wel aan drie
zijden door de stadsgracht wordt omgeven. Beter bewaard bleef het ravelijn
Polleke, waarop in de 19de eeuw de hervormde begraafplaats is aangelegd.
Dit ravelijn is nog altijd driehoekig van vorm en wordt geheel door water
omgeven. De beide ravelijnen hebben geen verdedigingswallen meer. De
stadsgracht is in hoofdzaak nog aanwezig, zij het dat deze smaller
is dan voorheen door aanplemping van de oevers t.b.v. tuinen. De tuinen
lopen sterk af naar de huidige oever. Een deel van deze tuingronden is
particulier eigendom en een deel, met name in het zuidoosten, is
gemeentelijk bezit. Het particuliere gedeelte is meest langs de waterkant
met bomen beplant. De gemeentegrond is als wandeling ingericht, met
gazons, geboomte, etc. Ook de tegenoverliggende oever van de gracht (de
contrescarpe) is veranderd in een plantsoen met wandelpad. Een gedeelte
van de oever heeft de oude benaming Contre Escarpe als straatnaam
behouden. De
beveiligde inlaat voor Maaswater bij de Bovenbok is verdwenen. De
stadsgracht begint nu ten zuiden van de Bleek. Hij rondt het voormalig
bastion Holland, waar een houten schuur (oorspronkelijk leerlooierij,
1885) en een geheel verbouwd gemeenschapshuis (oorspronkelijk
patronaatsgebouw, 1923) staan. Bij het ravelijn de Halve Maan, waar de
gracht zich oorspronkelijk deelde in een ravelijngracht en een
buitengracht, is de ravelijngracht tegenwoordig gedempt; de buitengracht
wordt met
een duiker onder de Landpoortstraat doorgeleid. Aan de Contre Escarpe
staat hier een café (XIX) met voormalige smederij (1931). Westelijk van
de Landpoortstraat komen ravelijngracht en buitengracht weer bijeen. De
gracht ligt langs de RK-begraafplaats onderaan bastion Utrecht. Bij het
ravelijn Polleke, dat deels tot hervormde begraafplaats dient, deelt de
gracht zich opnieuw. Tegenwoordig is dit ravelijn door een dam met de
Stationssingel en door een voetgangersbrug met de stad verbonden. Iets
noordelijker rondt de stadsgracht het voormalig bastion Famars, om in
oostelijke richting verder te gaan tot de Maasdijk. De beveiligde inlaat
voor Maaswater bij de Benedenbok (of Kasteelse Bok) is verdwenen. Bij
de stadsgracht sluiten de beide hoornwerken aan. Hun omwalling zijn
zij kwijt, maar hun vorm is in het terrein nog terug te vinden. Het
noordoostelijk gelegen hoornwerk, het zgn. 'Bovenste hoornwerk', is aan
twee van de vier zijden nog omgracht. Deze omgrachting (met een
voetgangersbrug nabij de Bleek) is opgevat als een voortzetting van de
stadsgracht en is op dezelfde wijze beplant. Aan de stadszijde is de
hoornwerk-gracht verdwenen en aan de Maaszijde ligt nu de Maasdijk. Op het
verste punt van het hoornwerk staat aan de dijk het voormalig veerhuis
(1805); voor het overige is het hoornwerk vrijwel onbebouwd gebleven. Het
noordwestelijk gelegen hoornwerk, het zgn. 'Benedenste hoornwerk' dat
vanouds iets minder groot was, wordt sinds 1868 doorsneden door de
spoordijk van de spoorlijn Nijmegen - 's-Hertogenbosch, waarvoor met name
aan de zuidkant de stadsgracht en de hoornwerk-gracht moesten worden
aangepast. Ten noorden van de spoordijk doet het deels nog omgrachte
hoornwerk dienst als weiland. Aan de Maaszijde wordt het hoornwerk
begrensd door de Maasdijk. Het historisch aanzicht van de stad is aan de rivierzijde nogal gewijzigd door verhoging en verbreding van de Maasdijk, die langs de beide hoornwerken, langs het kasteelterrein en langs de Maaspoort ligt. De Strang of Binnenmaas, die onderlangs de dijk stroomde, is nog slechts vagelijk herkenbaar als een glooiing in de uiterwaarden, vanaf de huidige jachthaven tot de spoorwegbrug. Het bolwerk op de Middelweerd, aan de overzijde van de Strang, heeft plaats gemaakt voor een massief 20ste-eeuws fabriekscomplex. Met dit fabriekscomplex in het oosten, de nieuwe stadswijken in het zuiden en westen, en de spoordijk in het noorden, is een vrij uitzicht op de historische stad en de vestingwerken tegenwoordig niet meer mogelijk. Alleen bij het noordwestelijk hoornwerk en bij bastion Rokocx sluit Ravenstein nog bij open buitengebied aan. C.V. Bronnen - Monumenten inventarisatie in opdracht van de gemeente Ravenstein, 1995-1996 - 'Archeologisch onderzoek naar de vestingwerken van Ravenstein', R.J.M. van Genabeek, 's-Hertogenbosch 1997 Voor meer informatie over de vestingwerken zie de monumentenbank op deze site!
|
||