home > historie > ravenstein > vestingwerken

Uitleg over de vestingwerken

 

   

      

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

t' Casteel tot Ravensteijn, den 15 november 1694

Een vestingstad is een militair verdedigbare stad, gelegen op een strategische plaats aan een grens of een samenkomst van belangrijke land- of waterwegen. Nederland heeft er een aantal van binnen zijn grenzen. Denk bijvoorbeeld aan Bergen op Zoom, Willemstad, Gorinchem, Woudrichem, Den Bosch, Naarden, Brielle, Maastricht, Grave en....Ravenstein!

De vestingwerken van Ravenstein hebben een interessante geschiedenis. Door de eeuwen heen zijn ze uitgebreid, geslecht, weer opgebouwd en gemoderniseerd  en tenslotte definitief gesloopt. Op een aantal restanten na die vandaag de dag nog goed herkenbaar zijn. Op deze pagina wordt de bouwhistorie van de Ravensteinse vestingwerken uitgelegd. Tevens gaan we in op de vraag wat er nog aan verdedigingswerken over is en hoe we deze restanten kunnen herkennen.

Inleiding

In de middeleeuwen worden steden beschermd door middel van hoge muren met torens en grachten. In de 15e en 16e eeuw wordt duidelijk dat deze  stadsmuren en torens niet langer bestand zijn tegen de steeds krachtiger wordende kanonnen. In Italië bedenkt men een nieuw verdedigingssysteem (o.a. Leonardo da Vinci). In plaats van hoge muren, komen er lage, dikke muren en worden de muurtorens vervangen door veelhoekige uitspringende bouwsels: bolwerken of bastions. Van hieruit kan de vijand worden beschoten en op afstand worden gehouden. 

 

In Nederland kan men de Italiaanse methode niet gebruiken. Die is te duur en bovendien zou de bouwtijd te lang duren. Zo komt men in de Lage Landen tot de ontwikkeling van een eigen variant: het Oud Hollandse Vestingstelsel. Het lijkt in grote lijnen wel op het Italiaanse systeem , maar bevat ook nieuwe elementen. De verdedigingswerken bestaan uit aarden wallen en zijn daardoor goedkoper en sneller op te werpen en minder kwetsbaar voor artillerievuur. Liggen de verdedigingswerken aan stromend water, dan wordt ze aan de voorzijde voorzien van een stenen muur. De werken worden vrijwel altijd omgeven door een gracht met water. De verdedigingswerken bevatten bastions en in de grachten liggen ravelijnen. Dit zijn voortuitgeschoven verdedigingswerken die de poorten  moeten beschermen. Aan het einde van de 17e eeuw ontstaan er nieuwe inzichten en ontwikkelt men het Nieuw-Hollandse stelsel dat veel ruimer van opzet is en waarin de inzichten van de Franse vestingbouwers zijn verwerkt. De vestingwerken in Ravenstein zijn volgens dit Oud Hollandse Stelsel gebouwd. 

De bouwgeschiedenis

De stedelijke verdedigingsgordel van Ravenstein, bestaande uit muren, aardwerken en omgrachtingen, is aangelegd in de eerste helft van de 17de eeuw. Hieraan voorafgaand heeft in de periode 1380-1544 een middeleeuwse verdedigingsgordel bestaan, waarvan delen bewaard bleven. De allereerste bouwactiviteiten schijnen rond 1360 te hebben plaatsgevonden. Volgens oude berichten heeft destijds Walraven van Valkenburg, heer van Herpen, zijn huis in Herpen afgebroken en de stenen meegenomen; hij bouwde aan een nieuw huis op de Weert in de Maas. Dit werd kasteel Ravenstein, een vesting bij een riviertol. Aan de bijbehorende nederzetting zijn door Walravens opvolger, Reynoud van Valkenburg, stadsprivileges verleend, waarbij de kasteelheer zich verplichtte de stad te helpen in het onderhoud van haar muren en poorten (de Landtchaerte van Ravensteyn van 1380). Volgende landsheren, behorend tot het huis Kleef, bevestigden deze afspraak. In de kasboeken van 1487 en 1488, waarvan de tekst bewaard bleef, boekte de rentmeester van Ravenstein inderdaad bedragen voor aanzienlijke hoeveelheden baksteen, rijshout en palen, te gebruiken in de muren, poorten en bolwerken van de stad. In de afrekeningen van 1487 is sprake van bolwerken aan de kant van de rivier. De afrekeningen van 1488 noemen behalve het bolwerk achter de Maaspoort ook een bolwerk voor de Stads­poort. Later heeft landsheer Philips van Kleef de stadsverdediging nog versterkt (zoals vermeld wordt in zijn testament, 1526 (de rondelen Kasteelse Bok en Oranje Bok?), maar het einde van de vesting Ravenstein kwam kort hierna. Keizer Karel V dwong Willem van Kleef ertoe "aff te breecken ende daer neder te worpene alle de bolwercken, wallen, sterckten ende vestenisse vander stadt ende slote van Raves­teyn, ende die grechten te laeten vullen" en liet hem beloven dat er nooit meer een nieuwe vesting gemaakt zou worden (tractaat van Venlo, 1543). Om de afbraak des te grondiger te laten uitvoeren is het werk niet aan de Ravensteiners overgelaten, maar opgedragen aan de Bosschenaren, die de vesting Ravenstein gaarne zagen verdwij­nen.

Hoe het er met de Ravensteinse verdediging precies voorstond aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog is onduidelijk. Ravenstein kreeg nu een nieuwe, machtige nabuur -de Republiek der Verenigde Provinciën- waarvan het stadje de macht bleef voelen gedurende de hele 17de en 18de eeuw. De Republiek drong de stad een Staats garnizoen op, dat in 1621 op weinig zachtzinnige wijze de stadsverdediging ging reorganiseren. Een aanzienlijk deel van de stad en van de aangrenzende dorpsbe­bouwing is in dat jaar afgebroken om Ravenstein te kunnen uitbouwen tot een riviervesting naar Hollands model. De nieuwe bastions kregen on-Ravensteinse namen als Orange, Hollants en Utrechts, zo blijkt uit een bewaardgebleven kaart van de nieuwe vestingaanleg. De kaart laat een geheel door water omgeven vesting zien met aan de landzijde drie bastions (waartussen twee ravelijnen) en aan de rivierzij­de twee bolwerken (waartussen een rechtgetrokken rivierfront). Een Maasarm -de Binnenmaas- stroomt langs de vesting, die ook in het rivierbed een ravelijn heeft liggen. Aan de buitenzijde van de brede vestinggracht liggen een contrescarp en, ter dekking van de rivier en de dijk, een tweetal hoornwerken. Een derde hoorn­werk, dat de uitvalsweg bij de Landpoort bestreek, staat wel op deze kaart maar is waarschijnlijk nooit uitgevoerd; het ontbreekt op andere kaarten van de vesting. Ook op enkele andere punten zijn de bewaardgebleven vestingkaarten onduidelijk of tegenstrijdig.

Blijkens deze kaarten bestonden in de 17de eeuw het kasteel en (restanten van) een oude stadsmuur nog: de nieuwe vestinggordel was er buitenom gelegd. Het kasteel, dat aan de noordkant van de stad met een slotgracht omringd ligt, wordt aangegeven als een vierkant gebouw met twee hoektorens. Er hoorde kennelijk een ommuurde en omgrachte voorburcht bij (de tegenwoordige Kasteelseplaats), met een poort naar het stadje en een poort naar buiten. De omgrachting en ommuring van de voorburcht sloten aan de zuidzijde aan bij de grachten en muren van het stadje. De oude stadsmuur is op de kaarten weergegeven met muurtorens, een Maaspoort, een Landpoort, en een restant van de oude stadsgracht. Deze muur heeft het volgende beloop: bij de Maaspoort volgt deze de rivieroever (achter de huidige Kolonel Wilsstraat, oneven zijde), maakt dan een scherpe hoek landinwaarts (achter de huidige Nieuwstraat, even zijde), vervolgens loopt hij westwaarts (achter de huidige Winkelstraat, even zijde) en na een verspringing opnieuw westwaarts (achter de huidige Sint Luciastraat, oneven zijde) om aan te sluiten bij de ommuring van de voorburcht. Bij de genoemde straten zijn muurresten teruggevonden die de kaartge­gevens bevestigen, met name aan de achterzijde van de huizen aan de Nieuwstraat (achtergevels gefundeerd op stadsmuur-resten), bij de Walhoek en bij de Sint Luciastraat (tuinmuur gefundeerd op stadsmuur-resten), terwijl opgravingen bij het einde van de Kolonel Wilsstraat ('de Bok') in 1993 resten aan het licht brachten van de hoek waar de riviermuur aansluit op de landinwaartse muur. Toch blijven er omtrent de geschiedenis van de stadsmuur nog diverse onduidelijkheden bestaan. De vraag is bijvoorbeeld hoeveel er van de oorspronkelijke stadsmuur nog overeind gestaan zal hebben na de afbraak van 1544. Is wellicht in 1544 de onderbouw van de stadsmuur gespaard omdat de onderbouw als waterkering onmisbaar was?

In het jaar 1631 trok het Staatse garnizoen af, onder medeneming van al zijn houten palissades. De hertog van Neuburg, de toenmalige landsheer van het Land van Ravenstein, legde een nieuwe haven aan met een bolwerk, maar aan onderhoud van kasteel en stadswallen schijnt hij minder te hebben gedaan. Toen de Republiek namelijk enkele jaren later besloot om Ravenstein opnieuw te bezetten trof het Staatse garnizoen de verdedigingswerken in slechte conditie aan, vandaar dat er rond 1638 wederom onder leiding van de Republiek is gewerkt aan de fortificaties. De Staatse soldaten bleven in Ravenstein gelegerd tot 1672.

Op een 17de-eeuws stadsgezicht van Ravenstein, weergegeven vanaf de overkant van de rivier (naar een tekening van Ioannes Peeters), zien we op een eilandje de omwalde voorpost, die door een lange houten brug verbonden is met de Maaspoort. Deze met twee torens versterkte poort ligt voor de eveneens met torens versterkte riviermuur, welke aan beide einden op de volgens geometrische principes aangelegde omwalling aansluit. De betrouwbaarheid van de prent is echter dubieus, want de weergave van de belangrijkste gebouwen wijkt ver af van wat andere bronnen ons leren. Een tekening uit 1674 (van Valentijn Klotz of van Josua de Grave?) laat een riviermuur zonder torens zien, hetzij dat ze inmiddels afgebroken waren, hetzij dat ze nooit hebben bestaan. De Maaspoort is op deze tekening slechts een gemetselde doorgang in de hoge waterkering op de rivieroever. Een soortgelijke gemetselde doorgang bestond in de stadswal aan de landzijde (de 17de-eeuwse Landpoort), zoals is te zien op een schets van Philips de Koninck uit 1651. De tekeningen van 1674 en 1651 laten ook het kasteel zien en een deel van de 17de-eeuwse vestinggordel.

Bij het oprukken van de Fransen in 1672 verlieten de Staatsen Ravenstein. De hertog van Neuburg werd volledig in zijn gezag hersteld, nadat hij met het Franse leger overeengekomen was dat de vesting zou worden ontmanteld. De ruime tuin, die de Staatse commandant jarenlang tot zijn beschikking had, schonk de hertog aan de pastorie. Het kasteel oftewel 'het hof' bleef de zetel van het hertogelijk bestuur. Dit kasteel, over een lange houten brug toegankelijk vanaf de Kasteelseplaats, is in de 18de eeuw nog getekend door J. van Croes en door Jan de Beijer. Wat de tekeningen ons laten zien is een sterk slot van 14de-eeuwse aanleg, dat bestaat uit drie hoge woonvleugels (met een of twee hangtorentjes) en twee zware vierkante hoektorens, waarvan één overhoeks is geplaatst. Op de tekeningen van Van Croes en De Beijer is van stedelijke verdedigingswerken niets meer te zien: na de ontmanteling hebben deze geen rol van betekenis meer gespeeld.

Waarschijnlijk in 1762 is op de Kasteelseplaats een tweelaags herenhuis gebouwd als ambtswoning voor de rentmeester. De voormalige voorburcht was veranderd in een geplaveid plein met iepen en lindebomen. Aan de ene zijde bevond zich in de afsluitende bebouwing de oude doorgang naar de stad (de Kasteelsepoort); aan de andere zijde was er een soortgelijke doorgang tussen stalgebouwen. Toen de Franse legers op het eind van de eeuw opnieuw oprukten, maakten zij van die stalgebouwen legerbakkerijen. Er volgde een brand, waarbij alle bebouwing aan die zijde van de Kasteelseplaats verdween. Het kasteel zelf is door de Fransen in verhuur gebracht, want het Land van Ravenstein verloor zijn souvereiniteit. Op de Kasteelseplaats werd een ereteken voor de Franse idealen opgericht. Toen de door de Fransen veroverde gebieden later opgingen in het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden werd tot sloop van het kasteel besloten. Bij de zeer grondige afbraak (1818) schijnt de Kasteelseplaats met het voormalig kasteelterrein te zijn verenigd door een stuk gracht vol te storten. Het kasteelterrein werd een boomgaard en de Kasteelseplaats een weiland. De eigenaar van boomgaard en weiland bewoonde de voormalige rentmeesterij en gebruikte de overige dienstgebouwen als schuur, met uitzondering van het woonhuis aan de Kasteelsepoort. Dit poorthuis was in 1816 aan de Gerefor­meerde gemeente afgestaan, ter huisvesting van de dominee.

De 17de-eeuwse Landpoort was wellicht al eerder afgebroken. In 18de-eeuwse stadsrekeningen is nog sprake van de bruggen die voor de Landpoort liggen (de houten bruggen zijn in 1718 vernieuwd), maar op het kadastrale minuutplan van 1832 is de poort opgeruimd en zijn de bruggen vervangen door een dam. De Maaspoort bleef bestaan en kreeg een nieuwe betekenis doordat langs de Maas een nieuwe dijk met een verkeersweg was aangelegd. De stadsgrachten waren, volgens een notitie uit 1803, weinig anders meer dan moerassen. Waarschijnlijk is men omstreeks 1672 al begonnen de grond van de wallen in de grachten te plempen, hetgeen tot in de 20ste eeuw voortduurde. Op de afgegraven wallen ontstond een wandelweg die met zijn slingeringen het oude beloop van de vestingwerken volgt. Buiten deze weg lagen tuinen. In 1872 is in de vroegere tuin van dokter Van Roosmalen (onderaan bastion Utrecht) een katholiek kerkhof aangelegd, en in hetzelfde jaar of kort daarna in de vroegere tuin van dominee Hanewinkel (op ravelijn Polleke) een hervormd kerkhof, zodat de bestaande begraafplaatsen (tegenover de Luciakerk [ter plaatse van de huidige binnenplaats achter het gemeentehuis] en links naast de hervormde kerk en) in de toenmalige bebouwde kom gesloten konden worden.

In 1872 is Ravenstein op het spoorwegnet aangesloten. De spoorlijn Nijmegen - 's-Hertogenbosch is door het noordelijke hoornwerk gelegd, met een spoordijk waar­voor de Binnenmaas moest worden afgedamd en met een brug over de Maas; het spoorwegstation lag ten westen van de stad. Binnen Ravenstein vond een bescheiden uitbreiding plaats langs de Landpoortstraat en de voormalige stadswallen, waar met name aan de Walstraat zich diverse industrieën vestigden.

In 1923 is de gemeente Ravenstein samengevoegd met haar buurgemeenten, zodat de noodzakelijke uitbreidingen voortaan buiten de stadsgracht konden plaatsvinden. Een toenemende waardering voor het historisch stadsbeeld leidde er sedertdien toe dat men de gracht herstelde en door boombeplanting het aanzien van een singel gaf, terwijl 'storende bebouwing' is verwijderd. De industrie-bebouwing langs de Walstraat is in recente tijd vervangen door woningbouw, waarbij het open karakter van het gebied gehandhaafd bleef. De omgeving van het verdwenen kasteel is lang onbebouwd gebleven vanwege drassigheid. Na diverse grondophogingen is het kasteelterrein ingericht als plantsoen.

Wat is er nog over van de vestingwerken?

Van het kasteel is niets meer te zien. Enkele restanten zijn aan het licht geweest bij opgravingen in 1951 en 1993. Op de plaats waar het gebouw gestaan heeft ligt nu een plantsoen, dat aan de noord- en oostkant wordt omgeven door water. Het kasteel was kleiner dan het huidige plantsoen is, en de omgrachting was aanmerkelijk breder. Het water onderlangs de Van Coothweg, de Maasdijk en achter de bebouwing van de Lombardstraat gaat nog terug op de oude slotgracht. Het water achter de bebouwing aan de Sint Luciastraat is een uitbreiding van 1995, toen het gebied is aangepast vanwege de bouw van bejaardenwoningen en de aanleg van parkeervoorzieningen.

Aan de zuidwestkant sluit bij het kasteelterrein de Kasteelseplaats aan, waar voorheen de bijgebouwen van het kasteel stonden. Het zusterhuis van klooster Nazareth wordt gevormd door de in 1922 ingrijpend verbouwde 18de-eeuwse rentmeesterij. De kapel en de school, die links en rechts aansluiten bij het zuster­huis, zijn volledig 20ste-eeuws; alleen hun situering herinnert nog aan de vroegere bebouwing. De achtertuin van het klooster ligt aanmerkelijk lager dan de Kasteelse­plaats: hier lag voorheen de voorburcht-gracht.

Kasteelsepoort. De voorburcht was van de marktstad afgescheiden door een muur, die bewaard gebleven is als onderdeel van de oostgevels van Kasteelseplaats 1, Kasteelseplaats 2 en een deel van de westgevel van Sint Luciastraat 11. Deze muur, tegenwoordig grotendeels bepleisterd, is enkele meters hoog en zo'n zestig meter lang. Halverwege deze muur bevindt zich de ingang van de Kasteelsepoort. De poortdeuren zijn uit deze ingang verwijderd (zie de sporen in het metselwerk). Boven de poortdeuren bevond zich een op drie balken opgelegde eiken zoldering, met een zware deuraanslag. Deze houtconstructie is bewaard gebleven boven de huidige, gepleisterde zoldering (XIX).

In de Kasteelsepoort is in de noordelijke zijmuur een grote rondboognis uitgespaard. Later is deze nis goeddeels dichtgemetseld. Bij de tegenovergelegen zijmuur van de poort sloot een gebouw aan dat toegankelijk was vanuit de poort. Dit gebouw had een bovenverdieping met afzonderlijke toegang vanuit de poort. Sporen van de beide toegangsdeuren zijn terug te vinden in het metselwerk, evenals het spoor van een hoog geplaatste muuropening (lichtgat?). De zijmuren van de poort zijn middeleeuws, het poortgewelf niet.

Het bij de poort aansluitend gebouw (poortwachtershuis?) is bewaard gebleven in het huidige pand Kasteelseplaats 1. De gevel aan de zijde van de Kasteelseplaats is door latere aanbouw een binnenmuur geworden. Deze gevel bevat sporen van twee reeksen vensters en restanten van een daklijst. Van de benedenste vensterreeks zijn tegenwoordig drie vensters gereconstrueerd. In dezelfde gevel was, dicht bij de poort, waarschijnlijk een traptoren opgenomen (zie funderingsresten en de aanzet van een gemetselde trap). De aansluiting van deze gevel op het oorspronkelijke poortgewelf (een ietwat gedrukt tongewelf) bleef volledig intact. De andere lange gevel, aan de stadszijde, correspondeert met de zojuist genoemde, thans bepleister­de muur. Het poortgebouw is belangrijk gewijzigd in de 18de eeuw, en waarschijnlijk ook al eerder. Restanten van middeleeuwse stookplaatsen en vloeren bleven daarbij behouden.

De middeleeuwse stadsmuur. Een vergelijkbare middeleeuwse poort is de Maaspoort,  die vanaf de rivier toegang gaf tot het stadje. De Maaspoort is een (bepleisterd) tongewelf tussen twee zeer zware zijmuren. De beide zijmuren zijn tegenwoordig opgenomen in de woonhuizen die aan weerszij van de poort zijn aangebouwd. Een bovenverdieping, zo die ooit bestaan heeft, was in de 17de eeuw al verdwenen; het belendende woonhuis Kolonel Wilsstraat 1 is vervolgens uitgebreid met een kamer bovenop de Maaspoort. Tegelijk met dit woonhuis kregen de beide frontgevels van de poort in de 19de eeuw een bepleiste­ring in blokverband. De riviermuur, waarvan de Maaspoort een onderdeel was, is (althans bovengronds) geheel verdwenen.

Een tweede stadspoort, die waarschijnlijk aan het begin van de Landpoortstraat stond (is de zware keldermuur onder de zijgevel van Marktstraat 1 een restant van de poortfundering?), is mogelijk al in 1544 verdwenen, toen ook het grootste deel van de stadsmuur is neergehaald. De middeleeuwse stadsmuur bestaat niet meer, al zou een enkel stuk zwaar muurwerk -zoals in de achtergevel van Nieuwstraat 34- bij nader onderzoek nog een restant kunnen blijken te zijn. Wel is het beloop van de middeleeuwse stadsmuur nog herkenbaar in de lijn waarop veel achtergevels aan de Nieuwstraat (even zijde) staan; een dergelijke lijn zou ook te onderscheiden zijn achterlangs de bebouwing aan de Kolonel Wilsstraat (oneven zijde), bij de Winkelstraat (even zijde) en bij de panden Marktstraat 1-5 en Brouwerijstraat 2-6. De onderbouw van de oude stadsmuur is in de 20ste eeuw meermaals aan het licht gekomen bij bouw- en rioleringswerkzaamheden (Walhoek), en tevens bij archeologische opgravingen (kasteelterrein, terrein 'de Bok'). Een enkele keer is in een kelder nog een mogelijk restant van de onderbouw te zien (b.v. Nieuwstraat 2, 6-8 en 34). De buiten de muur gelegen gracht heeft zijn sporen nagelaten in de stadsplattegrond. De tuin van de pastorie, nog altijd aanmerkelijk lager gelegen dan zijn omgeving, is een restant van deze gracht. Toen de pastorietuin in de 18de eeuw met een muur werd omgeven, kon daarbij gedeeltelijk de onderbouw van de stadsmuur worden benut. Bij archeologische opgravingen zijn in 1997 de vermoedelijk uit 1521-22 daterende rondelen de Kasteelse Bok en bij de aansluiting van de Walstraat op de dijk gelokaliseerd.

Van de 17de-eeuwse stadswallen en bastions is nog wel het beloop te zien maar niet de oorspronkelijke vorm. Waarschijnlijk zijn de grachten geleidelijk aangeplempt met aarde van de stadswal. Drie delen van de wal die min of meer hun hoogte behielden bevinden zich onder de korenmolen en bij de beide aansluitingen op de huidige Maasdijk. Bij de noordelijke aansluiting op de Maasdijk ligt een hoog met bomen beplant restant van bolwerk Rokocx, waarop een 19de-eeuwse theekoepel  staat. In 1999 is het bolwerk gedeeltelijk in oude staat teruggebracht. De Maasdijk (die minder hoog is dan het walfragment) ligt hier precies op het tracé van de vroegere riviermuur (met ter plaatse een sluisje); aan de buitenzijde van de dijk is het bolwerk (ook wel Kasteelse Bok genaamd, met uit vermoedelijk 1521-1522 daterend rondeel) nog vagelijk te herkennen. Onder Cafe 't Pumpke treffen we een intact kruitmagazijn aan uit dezelfde periode. Bij de zuidelijke aansluiting op de Maasdijk ligt het restant van bolwerk Orange. Ook dit bolwerk is in 1999 gedeeltelijk gerestaureerd. Het bastion Utrecht of molenbastion heeft zijn hoogte behouden en fungeert als molenbelt (oorspronkelijk een 17de-eeuwse standerdmolen, later een achtkante molen [zie minuutplan 1832] en sedert 1857 een stellingmolen). De twee andere bastions aan de landzijde, bastion Holland in het zuiden en bastion Famars in het westen, zijn nog terug te vinden doordat de Walstraat en de stadsgracht op beide punten een scherpe hoek hebben, maar hun hoogte onderscheidt zich nog maar weinig van het omgevingsniveau.

In de aarden bolwerken en bastions hebben zich gemetselde, overwelfde gangen bevonden. Of het gangenstelsel zich nog verder uitstrekte en er verbindingsgangen van het ene bastion naar het andere waren is onzeker. In bolwerk Rokocx bevindt zich een overwelfd vertrek, waarvan een toegang aan de buitenzijde van het bolwerk zichtbaar is. In bastion Famars bevindt zich een overwelfde gang die enige jaren geleden gedeeltelijk opgegraven is. Tegenwoordig is de gang weer toegedekt; alleen een deel van de gewelfkruin is in het zicht gelaten. Bij bastion Utrecht bevindt zich een ingestorte overwelfde gang, waarvan een gedeelte aan het licht is geweest bij de bouw van het Toeristisch Informatie Centrum (1995), bij de westhoek van dat gebouw. In bastion Holland bevindt zich een gang waarvan restanten aan het licht kwamen bij rioleringswerk­zaamheden in de Walstraat en op de Van Kesselplaats. De kelder onder de uitbouw van Walstraat 18 maakte mogelijk ooit onderdeel uit van deze gang. Van een gang in bastion Orange is een gedeelte bewaard onder het pand Maasdijk 36.

De 17de-eeuwse stadsomwalling had twee poorten. Als rivierpoort is kennelijk de middeleeuwse Maaspoort in gebruik gebleven. Als landpoort werd een nieuwe stadspoort gebouwd (XVIIA), die nadien is gesloopt. De poort stond waarschijnlijk aan de zuidzijde van de huidige kruising Landpoortstraat/Walstraat/Molensingel. Ter plaatse van het huidige pand Landpoortstraat 3 stond de bij de poort behorende kortegaard (hoofdwacht). Het huis Landpoortstraat 7 bevat een dik muurfragment dat mogelijk met de omwalling in verband staat. In het tracé van de Landpoortstraat is nog het beloop bewaard van de twee lange houten bruggen die van de landpoort naar de contrescarpe leidden. De twee bruggen kwamen samen op het ravelijn Halve Maan, dat tegenwoordig zijn vorm kwijt is, maar nog wel aan drie zijden door de stadsgracht wordt omgeven. Beter bewaard bleef het ravelijn Polleke, waarop in de 19de eeuw de hervormde begraafplaats is aangelegd. Dit ravelijn is nog altijd driehoekig van vorm en wordt geheel door water omgeven. De beide ravelijnen hebben geen verdedigingswallen meer.

De stadsgracht is in hoofdzaak nog aanwezig, zij het dat deze smaller is dan voorheen door aanplemping van de oevers t.b.v. tuinen. De tuinen lopen sterk af naar de huidige oever. Een deel van deze tuingronden is particulier eigendom en een deel, met name in het zuidoosten, is gemeentelijk bezit. Het particuliere gedeelte is meest langs de waterkant met bomen beplant. De gemeentegrond is als wandeling ingericht, met gazons, geboomte, etc. Ook de tegenoverliggende oever van de gracht (de contrescarpe) is veranderd in een plantsoen met wandelpad. Een gedeelte van de oever heeft de oude benaming Contre Escarpe als straatnaam behouden.

De beveiligde inlaat voor Maaswater bij de Bovenbok is verdwenen. De stadsgracht begint nu ten zuiden van de Bleek. Hij rondt het voormalig bastion Holland, waar een houten schuur (oorspronkelijk leerlooierij, 1885) en een geheel verbouwd gemeenschapshuis (oorspronkelijk patronaatsgebouw, 1923) staan. Bij het ravelijn de Halve Maan, waar de gracht zich oorspronkelijk deelde in een ravelijngracht en een buitengracht, is de ravelijngracht tegenwoordig gedempt; de buitengracht wordt met een duiker onder de Landpoortstraat doorgeleid. Aan de Contre Escarpe staat hier een café (XIX) met voormalige smederij (1931). Westelijk van de Landpoortstraat komen ravelijngracht en buitengracht weer bijeen. De gracht ligt langs de RK-begraafplaats onderaan bastion Utrecht. Bij het ravelijn Polleke, dat deels tot hervormde begraafplaats dient, deelt de gracht zich opnieuw. Tegenwoordig is dit ravelijn door een dam met de Stationssingel en door een voetgangersbrug met de stad verbonden. Iets noordelijker rondt de stadsgracht het voormalig bastion Famars, om in oostelijke richting verder te gaan tot de Maasdijk. De beveiligde inlaat voor Maaswater bij de Benedenbok (of Kasteelse Bok) is verdwenen.

Bij de stadsgracht sluiten de beide hoornwerken aan. Hun omwalling zijn zij kwijt, maar hun vorm is in het terrein nog terug te vinden. Het noordoostelijk gelegen hoornwerk, het zgn. 'Bovenste hoornwerk', is aan twee van de vier zijden nog omgracht. Deze omgrachting (met een voetgangersbrug nabij de Bleek) is opgevat als een voortzetting van de stadsgracht en is op dezelfde wijze beplant. Aan de stads­zijde is de hoornwerk-gracht verdwenen en aan de Maaszijde ligt nu de Maasdijk. Op het verste punt van het hoornwerk staat aan de dijk het voormalig veerhuis (1805); voor het overige is het hoornwerk vrijwel onbebouwd gebleven. Het noordwestelijk gelegen hoornwerk, het zgn. 'Benedenste hoornwerk' dat vanouds iets minder groot was, wordt sinds 1868 doorsneden door de spoordijk van de spoorlijn Nijmegen - 's-Hertogenbosch, waarvoor met name aan de zuidkant de stadsgracht en de hoorn­werk-gracht moesten worden aangepast. Ten noorden van de spoordijk doet het deels nog omgrachte hoornwerk dienst als weiland. Aan de Maaszijde wordt het hoornwerk begrensd door de Maasdijk.

Het historisch aanzicht van de stad is aan de rivierzijde nogal gewijzigd door verhoging en verbreding van de Maasdijk, die langs de beide hoornwerken, langs het kasteelterrein en langs de Maaspoort ligt. De Strang of Binnenmaas, die onderlangs de dijk stroomde, is nog slechts vagelijk herkenbaar als een glooiing in de uiterwaarden, vanaf de huidige jachthaven tot de spoorwegbrug. Het bolwerk op de Middelweerd, aan de overzijde van de Strang, heeft plaats gemaakt voor een massief 20ste-eeuws fabriekscomplex. Met dit fabriekscomplex in het oosten, de nieuwe stadswijken in het zuiden en westen, en de spoordijk in het noorden, is een vrij uitzicht op de historische stad en de vestingwerken tegenwoordig niet meer mogelijk. Alleen bij het noordwestelijk hoornwerk en bij bastion Rokocx sluit Ravenstein nog bij open buitengebied aan.

C.V.

Bronnen

- Monumenten inventarisatie in opdracht van de gemeente Ravenstein, 1995-1996

- 'Archeologisch onderzoek naar de vestingwerken van Ravenstein', R.J.M. van Genabeek, 's-Hertogenbosch 1997

Voor meer informatie over de vestingwerken zie de monumentenbank op deze site!

 

> naar boven