Huisseling

Ongeveer 800 jaar geleden werd  ‘Huseniggen’ voor het eerst genoemd in de archieven. Het gaat om schenkingen van grond aan de abdij van Berne in 1205. In 1331 wordt Huseningen genoemd in een oorkonde betreffende de aanleg van een sluis in de Maasdijk onder Megen en een jaar later (in 1332) worden de woeste gronde van Huisseling in erfpacht gegeven aan de inwoners van Huisseling. Zij moeten er per jaar 50 hoenders en 25 malder haver (ongeveer 3500 liter) voor afstaan aan de Landsheer.

Walraven van Valkenburg had geld nodig om zijn kasteel aan de Maas te bouwen. Daarom verkocht hij 17 jaar later al (in 1349) de ‘Alinge heide’ (alle woeste grond) aan de inwoners van het dorp, om deze in particuliere erven te verdelen. Men was verplicht stegen en straten aan te leggen, alsmede een schutskooi om het vee dat op andermans erf liep op te sluiten. Het moment kan worden beschouwd als het begin van zelfbestuur voor het dorp Huiseling. De schutskooi heeft er vervolgens nog 600 jaar gestaan, voor zover bekend altijd op de kruising van Meerstraat/Lange Del en Bruijckdijk.

Kerk verplaatst

sint lambertus
Beeld van Sint Lambertus in de kerk van Huisseling
In de archieven van de parochie is het verhaal aanwezig van een van de kerkmeesters. Het is het verhaal van de sloop van de Huisselingse kerk in 1621 en die moest wijken voor de uitbreiding van de vestingwerken. Samen met 25 huizen in de voorstad en 4 huizen in Huisseling ging de kerk tegen de vlakte. Met groot misbaar van krijten en kermen!
Het hele dorp sjouwde al het hout en de 20.000 stenen op karren door de Lange Del naar de andere kant van het dorp. Blijkbaar zijn ze de dorpel van de kerkdeur onderweg verloren, want deze werd 400 jaar uisselinglater op het erf van de Ganzenheuvel teruggevonden. Hij ligt nu gewoon hiervoor op het kerkplein.Met de verplaatsing van de kerk verschoof ook het centrum van het dorp naar het westen, echter al die tijd (ook nadat de vestingwerken allang weer waren verdwenen) bleef het Huisselings grondgebied tot aan de gracht.
In 1810 was Celus van Aar burgemeester van Huisseling. Hij hield 25 jaar een dagboek bij over de periode tussen 1795 en 1820. Hij beschrijft onder andere de oorlogsperikelen, de watersnoden en het bezoek van koning Lodewijk aan Huisseling. De pastoor krijgt van hem 500 gulden voor een nieuw orgel! In Herpen krijgen diegene die de Huisselingse kade hebben lekgestoken van hem gratie.

Celus is gelovig. In de winter van 1813 verschijnt een staartster, volgens Celus het gevolg van welig tierende onkuisheid. Het verklaard volgens Celus ook de volgende zeer slechte zomers en de zeer hoge voedselprijzen. Later blijkt het een gevolg van een vulkaanuitbarsting in Indonesië, waardoor het in Europa zelfs in de zomer sneeuwde.
Meer dan 500 jaar (tot 1972) kende Huisseling de traditie van de Eligiusverering. In Brabant was Huisseling de enige bedevaartplaats voor Eligius.
Voor velen was de Eligiusprocessie op 25 juni het hoogtepunt van het jaar. Eligius is de beschermheer van de edel- en hoefsmeden en het vee (voornamelijk paarden). Hij werd ook aanbeden tegen allerlei klier en gezwelziekten bij mens en dier. Vooral leiders aan de ziekte Koningszeer of Heiligenwerk (een soort tuberculose aan de lymfeklieren) kwamen naar Huiseling om te genezen. Bedevaartgangers gingen naar huis als lid van de broederschap met gewijd Liezejeswotter en Liezejesbrood.

Rivierdorp

boerderij-huisseling
Boerderij in Huisseling (bron: Jan Elemans)
Huisseling is een echt rivierdorp, alhoewel het na de stichting van Ravenstein en de verplaatsing van de kerk verder van de rivier af komt te liggen. De oudste bebouwing is te vinden op plaatsen die nu nog berg of heuvel worden genoemd. Vanaf 1331 bouwde men dijken en sluizen, zowel langs de Maas als later de Beerse Maas, maar altijd bleef men in gevecht met het water. Dat bracht zowel rijkdom als grote armoede en ellende. Het kleine dorp werd omringd door 13 kilometer dijk, waarbij gemiddeld elke 5 jaar wel ergens een stukje dijk te laag of te slecht was om het water te keren. Het Huisselingse deel van de Maasdijk betrof 175 Maaslandse roedes of wel 939 meter, tussen de vlierstruik beneden het dorp Loon en de stadsbeer in het bovenste hoornwerk van de stad.

Huisseling heeft in 1809 nog zijn eigen scheepstimmerman en 10-12 schuiten  ‘waar lieden mede naar de kerk kunnen varen als de Beerse maas daar staat en die 8-10 man lade kunnen’. Bij dreigende watersnood werd de alarmklok geluid en moest iedereen boven de 18 jaar aan het werk. Weigering werd bestraft met een boete gelijk aan twee dagen werk en na waarschuwing hier bovenop nog 4 dagen gevangenis.
In 1928 wordt de lagere school van het dorp opgeheven en gaan de 35 kinderen in Ravenstein naar school. De laatste Huisselingers die nog hier op school hebben gezeten zijn Jan de Bruijn, Henri Elemans en Anton van Grunsven. Voor gymnastiekonderwijs had men in Huisseling vrijstelling, dat was ook niet nodig. Volgens het gemeentebestuur geeft de jeugd aan het lichaam al voldoende beweging om het gelijke tred te laten te doen houden met de geest. Bovendien moest vanwege het minder sterke begripsvermogen der dorpskinderen het aantal lesuren zeker niet verminderd worden. De meesten konden na hun lagere school dan ook amper lezen of schrijven. Niet dat je het Huisselings kon schrijven. Schrijven deed je in het Latijn of het ABN. Maar praten dat konden ze in Huisseling des te beter. In een taaltje dat je weliswaar Brabants noemt, maar dat meer lijkt op het dat van Niftrik of het Betuws dan op dat van Herpen of Berghem.

Dialect

In het dialect was men in staat zinnen zo te verkorten dat ze niet eens hoefden te worden uitgesproken om ze toch te kunnen begrijpen. Jan Elemans (Drikuszoon) noemt het kortspraak! zwowdgrts vroeg (ze wilde dat je het haar eens vroeg)
Huisseling vervulde eeuwenlang een centrale functie voor de andere Maaskantse dorpen, politiek, sociaal en economisch. Met name in de 18e en 19e eeuw barstte het dorp van handelsgeest en sociale innovatie. Uit traditie, noodzaak of later ook de coöperatieve gedachten, ontstonden meer dan 30 organisaties en verenigingen, variërend van Geitenfokvereniging en Bijenbond tot Fanfare, Sportclub en Toneelverenigingen. 
Huisseling profiteerde van de ligging van Ravenstein maar hield het stadje ook lang in een beperkende omhelzing. Werd het in 1923 bij Ravenstein gevoegd, ook daarna hield het nog zijn sociale zelfstandigheid tot in 1949 de nieuwe bewoners van de Doolhof per sé niet meer tot de parochie Huisseling willen behoren. Pas na de 2e wereldoorlog waren de staduitbreidingen niet meer te stoppen.