Land van Ravenstein

 

De geschiedenis van vestingstad Ravenstein begint bij de opstandige leenman Walraven van Valkenburg. In 1355 besluit deze Walraven, heer van Herpen, tol te gaan heffen op de Maas om extra inkomsten te verwerven voor de geldverslindende opvolgingsoorlogen in zijn stamgebied Zuid-Limburg. In 1360 verplaatst hij zijn kasteel van Herpen naar een nieuwe locatie aan de Maas onder Langel om de tolheffing onder de toenemende scheepvaart beter te kunnen controleren. Walraven doet dit echter zonder de toestemming van zijn leenheer de Hertog van Brabant, die dan ook zwaar ontstemd is over het al te vrije optreden van zijn leenman. De leenheer besluit tot actie over te gaan en stuurt in 1364 een legertje naar het gloednieuwe slot van Walraven.

Walraven

Het beleg eindigt in een fiasco, de hertog van Brabant slaagt er niet in Walraven op de knieën te dwingen. Uiteindelijk besluiten beide partijen in 1364 om vrede te sluiten. De hertog komt in feite als verliezer uit de strijd. Hij moet zich neerleggen bij het feit dat zijn leenman tol blijft heffen. Ook mag Walraven zijn slot behouden. De uitslag van het conflict is natuurlijk enigszins merkwaardig, maar hiermee wordt wel de strategische waarde van de plaats van het kasteel bewezen. Hoe lucratief de tolheffing is blijkt wel uit het feit dat in een jaar tijd, van juli 1394 tot juli 1395, 405 schippers hun (tol)duit in het zakje doen.

 

Land-van-Ravenstein-kaart

 

Stadsrechten

Er groeit al snel een nederzetting rondom het nieuwe kasteel van Walraven. In 1380 verwerft de nederzetting stadsrechten van Walravens opvolger, Reinout van Valkenburg. Korte tijd later start men met de aanleg van een omgrachting met aarden wallen. Tevens krijgen de Ravensteiners allerlei voordelen bij de rechtspleging, de belastingen, vrijdom van tol en alleen in Ravenstein mocht wol worden geweven en bier gebrouwen. Ravenstein wordt in deze tijd de hoofdstad van het Land van Ravenstein. Ook op militaire gebied wordt Ravenstein een belangrijke plaats. In 1388 wordt bij Niftrik aan de overkant van de Maas de zgn. ‘Bataille de Ravenstein‘ uitgevochten tussen de rivaliserende hertogdommen Brabant en Gelre. Voor Brabant verloopt de strijd catastrofaal, maar het belang van Ravenstein als militaire versterking tegen Gelre is gevestigd. Reinout is ondertussen zo mogelijk nog opstandiger dan zijn voorganger Walraven, want hij gaat zich te buiten aan rooftochten. De bisschop van Luik, die in deze tijd het kerkelijk gezag in dit gebied vertegenwoordigt, slaat alarm en trekt met 1.200 ruiters en 4.000 boogschutters ten strijde. De jonge vesting verkeert in staat van beleg, maar het kasteel en de stad blijven overeind. Reinout´s opvolger – Simon van Salm – wordt tijdens een veldtocht in 1396 wel verslagen. In de slag bij Kleverham in 1397 (bij Kleef) wordt hij door de hertog van Kleef gevangen genomen en daarmee komt Ravenstein als leen van Brabant onder Kleefs gezag.

Strategische ligging: ‘Frontier van Brabant’

Ravenstein groeit onder de heren van Kleef verder uit tot een belangrijke grensvesting tussen de rivaliserende hertogen van Brabant en graven van Gelre. Een bijzondere heer van Ravenstein is in deze periode Philips van Kleef-Ravenstein (1456-1528). Philips, leermeester van de latere keizer Karel V en een van de belangrijkste (Europese) politici van zijn tijd ziet het belang van de vestingstad. In zijn testament uit 1526 noemt hij het kasteel en de versterkte stad Ravenstein de ‘frontier van Brabant’ en wenst het koste wat kost te bewaren als verdediging tegen Gelre. In die tijd worden dan ook de vestingwerken gemoderniseerd en uitgebreid met twee grote bastions aan de Maaskant waarop zwaar geschut geplaatst kan worden. Na de dood van Philips neemt de macht van het Huis Kleef t.o.v. de leenheer keizer Karel V zienderogen af. Karel V wil zijn Nederlandse gebieden onder centraal gezag brengen. Als hij in 1543 bij het Tractaat van Venlo ook nog eens de heerschappij verwerft over het weerbarstige Gelre vervalt voor hem de noodzaak van de grensvesting Ravenstein. Hij laat in het Tractaat vastleggen dat de vestingwerken moeten worden ontmanteld; een klus die overigens in 1544 door de Bosschenaren is uitgevoerd.

Speelbal in de strijd tussen Spanje en de Republiek

Er breken voor Ravenstein moeilijke tijden aan. In 1560 wordt het Land van Ravenstein zeer tegen de zin van hertog Willem IV van Kleef bij het bisdom Den Bosch getrokken. Dat leidt tot verdere spanningen tussen de landsheer (de hertog van Brabant)  en zijn leenman, die ervan wordt verdacht protestantse sympathieën te hebben. In 1607 wordt Ravenstein tot overmaat van ramp getroffen door een grote stadsbrand, waarbij naar verluidt alleen de kerk en een stenen huis overeind blijven staan. Als in 1609 de laatste telg uit het Huis Kleef kinderloos sterft ontbrandt een felle opvolgingsstrijd, waarbij de huizen van Brandenburg en Neuburg als winnaars/erfopvolgers uit de bus lijken te komen. Zij zullen, zolang de Kleefse opvolging nog niet definitief is geregeld, samen (als zogenaamde ‘possiderende vorsten’) het bewind over Ravenstein voeren. Als in 1614 (bij het Tractaat van Xanten) de Kleefse landen definitief worden verdeeld wordt Ravenstein toebedeeld aan de protestantse keurvorst van Brandenburg.

De Brandenburgers krijgen al snel ruzie met de hertogin van Brabant (de zeer katholieke Isabella van Oostenrijk), die historisch gezien de leenheer is van Ravenstein. Bovendien gaat de keurvorst in 1618 een enorme geldlening aan bij de Staten van Holland(de zogenaamde Hoefijzerse schuld), waarbij de laatsten als onderpand het recht verwerven om een garnizoen in Ravenstein te legeren als verdediging tegen de Spanjaarden. In deze tijd worden de vestingwerken gerestaureerd en versterkt volgens het systeem van het Oud-Hollandse vestingstelsel. Hiervoor worden de kerk van Huisseling op de Schaafdries en 25 woonhuizen in de voorstad gesloopt. De spanningen tussen de Ravensteiners en de protestanten lopen verder op als in 1621 de katholieken uit hun kerk worden verdreven. Slechts na zware protesten van de bisschop van Den Bosch (Michael Ophovius) komt de kerk in 1627 weer in katholieke handen. Maar de sfeer is dan al lang zwaar verpest.

In 1630 komt Ravenstein bij het verdrag van Dusseldorp onder gezag van de katholieke hertogen van Neuburg. De inwoners worden in hun rechten hersteld, het (corrupte) bestuur gereorganiseerd en – last but not least – slaagt  Wilhelm von Neuburg er in 1631 in, om tot opluchting van de Ravensteinse bevolking, een einde te maken aan de Staatse bezetting van het stadje. Nauwelijks zijn de laatste soldaten vertrokken of de Bossche bisschop Ophovius  haast zich naar Ravenstein en  wordt – onder luid protest van de nog protestantse bestuurders – uitbundig door de bevolking binengehaald. Echter de vreugde is van korte duur. Na de val van ‘s-Hertogenbosch in 1629 hebben de Staten Generaal de macht gekregen in de Meijerij. Zij verbieden de uitoefening van de R.K. godsdienst, leggen de bevolking zware belastingen op en zetten alle katholieken uit bestuursambten. De zogenaamde ‘Retorsietijd’ (1629-1648) breekt aan. Het Noordbrabantse platteland wordt geteisterd door rondtrekkende Spaanse en Protestantse legers. De dorpen moeten aan beide oorlogvoerende partijen enorme bedragen aan oorlogscontributie betalen. Uit voorzorg dat de Spanjaarden (die net Gennep hebben veroverd) Ravenstein in handen zullen krijgen, besluiten de Staten Generaal in 1635 om (onder het mom van recht wegens de Hoefijzerse schuld) een nieuwe garnizoen in Ravenstein te legeren. Deze keer zullen de Staatse troepen tot 1672 blijven. Ten behoeve van het nieuwe garnizoen wordt in 1642 een garnizoenskerk gebouwd. Dit is de huidige Nederlands Hervormde kerk.

De heerschappij over Ravenstein ontaardt in deze periode in een politiek steekspel. Na de vrede van Munster (1648), als Brabant definitief onder het gezag van de Republiek komt, verklaren de Staten Generaal in 1657 simpelweg dat Ravenstein tot de Meijerij van Den Bosch behoort en dat zij aldus het gezag over Ravenstein uit mogen voeren. Neuburg beroept zich op de historische leenbanden met de hertogen van Brabant en slaagt erin door middel van handig diplomatiek en juridisch manouvreren de souvereiniteit van Ravenstein te bewaren. In dit politieke steekspel stelt de Republiek zelfs een gebiedsruil voor waarbij zij in het bezit van Ravenstein zal komen. Neuburg gaat daar echter niet op in tot opluchting van de Ravensteinse bevolking. Maar voor wat hoort wat: om de band met Neuburg te bevestigen beloven de inwoners van het Land van Ravenstein gedurende een periode van 12 jaar jaarlijks 6000 patagons (zilveren munten) aan hem te betalen.

1672: (laatste) ontmanteling van de vesting Ravenstein

In 1672 wordt de Republiek bedreigd door de expansiepolitiek van de Franse zonnekoning Lodewijk XIV. Lodewijk wil zijn Rijk uitbreiden tot aan de Rijn en heeft daarbij zijn oog ook op de rijke Nederlanden laten vallen. In 1672 – het zogeheten Rampjaar – vallen de Franse legers aan. De Franse generaal Turenne trekt op naar Grave, Ravenstein en Gennep. Omdat de verdeding van de drie vestingen te zwak is besluiten de Staten Generaal om Gennep en Ravenstein te ontruimen en met de daardoor vrijkomende manschappen Grave te versterken. Uit Ravenstein worden vijf compagnieën infanterie en behoorlijk wat artillerie naar Grave gestuurd. In juli 1672 nemen de Fransen Grave in. Zij zullen er tot 1674 blijven als Stadhouder Willem III de vesting terug verovert. In de tussentijd bevestigen de Fransen de souvereiniteit van Neuburg over Ravenstein, echter onder de voorwaarde dat de vesting wordt ontmanteld en alle gedenktekenen die verwijzen naar de Republiek worden vernietigd. Opnieuw worden dus de vestingwerken gesloopt en dit keer voor de laatste maal. Alleen de stadspoorten en het  kasteel ontspingen de dans. Ravenstein zal vanaf dit moment geen rol van militaire betekenis meer spelen in de geschiedenis van onze regio.

 

ravenstein2

 
reageer op dit verhaal