Wat een oude muur vertelt: een onthulling

Willem Jan Pantus

 

Archeologische en bouwhistorische waarnemingen langs de Maasdijk in Ravenstein

Perceelsgrenzen liggen vaak door de eeuwen heen muurvast, zeker in een oude stad waar iedere centimeter telt. Een opvallende constante, die al voorkomt op de allereerste kadastrale kaart van Ravenstein uit 1811-1832, vormt de perceelsgrens die gemarkeerd wordt door een hoge muur aan de Maasdijk. Door deze op het eerste gezicht alledaagse muur nauwkeurig te ‘lezen’, geeft hij allerlei geheimen prijs waarnaar archeologen en oudheidkundigen al jaren gezocht hebben.

Het was stedenbouwkundigen al eerder opgevallen dat Ravenstein naar de Maas toe een opvallend gesloten karakter heeft. Tussen de Walstraat en de Maaspoort zijn er – afgezien van het in 1994 verrezen nieuwbouwcomplex D’n Bok – slechts twee huizen die hun voorgevel naar de Maas richten. De architect had ter versterking van deze karakteristieke geslotenheid  oorspronkelijk hoge tuinmuren getekend bij de huizen die hun achtergevels aan de Maasdijk hebben. Dat was nog niet zo’n gek idee, want daarmee sloten ze aan op de tuinmuren langs de achtererven van de overige huizen aan de dijk.

De muur

Het mooist en tegelijk het oudst is de doorlopende muur achter de huizen aan de Kolonel Wilsstraat 21 tot en met 25.

1. Stadsbeeld. Op de voorgrond de oude muur die een wezenlijk element in het van rijkswege beschermd stadsgezicht vormt. Foto: Marcel van den Bergh, 2000

Hij lijkt uit één stuk te zijn, maar wie beter kijkt, ziet dat er van alles aan de hand is. De muur, met een totale lengte van zo’n 21 meter, is opgetrokken uit donkerbruine baksteen in kruisverband. Het verloop is niet heel strak,

3. Zicht van rechts op de oude muur aan de Maasdijk tussen de huisnummers 38A en 40. Foto: W.J. Pantus, 2020

maar licht slingerend. Het linkerdeel is duidelijk jonger dan het rechterdeel. Links zie je machinale baksteen, rechts handvormsteen. Het deel van de muur dat behoort bij het in 1910 gebouwde schoolmeestershuis (Kolonel Wilsstraat 25) is opgetrokken uit dezelfde baksteen als het huis en zal dus uit hetzelfde jaar dateren.

2. Zicht van links op de oude muur aan de Maasdijk tussen de huisnummers 38A en 40. Foto: W.J. Pantus, 2020

Toch heeft men zijn best gedaan om zoveel mogelijk aan te sluiten bij het al bestaande rechterdeel van de muur, zowel in kleur en formaat van de baksteen, metselverband, voegwerk (knipvoegen) als in de afdekking door middel van een ezelsrug.

3. Zicht van rechts op de oude muur aan de Maasdijk tussen de huisnummers 38A en 40. Foto: W.J. Pantus, 2020

Desondanks is het linkerdeel soberder uitgevoerd dan het rechterdeel. Kijk maar eens naar de vereenvoudigde uitvoering van de ezelsrug en de drie getoogde poortopeningen, waarvan die uiterst rechts het meest ambachtelijk-traditioneel genoemd kan worden.

4. Afdekking met een ezelsrug. Links de vereenvoudigde vorm. Let ook op de verstoring rechts, waar tot 1977 een garagedeur zat. Foto: W.J. Pantus, 2020

De meest linkse doorgang is in 1993 tijdens de bouw van D’n Bok ingestort en in 1994 zo goed en zo kwaad als het ging weer opgebouwd. Ter hoogte van Kolonel Wilsstraat 23 (dat is aan de Maasdijk nummer 39) is een verstoring te zien. Hier is in 1977 een deel van de muur die eerder geopend was ten behoeve van een garage weer opgebouwd met hergebruikte handvormsteen.

5. Een smeedijzeren ring als stille getuige van vroegere praktijken. Foto: W.J. Pantus, 2020

En er zit, verder naar rechts, aan weerszijden van de middelste getoogde poortopening nog een oude smeedijzeren ring, om bijvoorbeeld een paard of een geit aan vast te binden. Aan het rechteruiteinde houdt de muur rekening met het huis Maasdijk 40 (lange tijd het enige dat zijn voorgevel naar de Maas toegewend had), want hij maakt hier een haakse hoek, gemarkeerd door een bakstenen kolom met een natuurstenen afdekking. De voorgevel van dit huis dateert naar schatting uit (het eind van) de achttiende eeuw.[1]

Nu zou men geneigd zijn te denken dat de ouderdom van de muur niet verder teruggaat dan het eind van de achttiende eeuw, begin negentiende eeuw.  Wie echter goed gekeken heeft, is opgevallen dat het linkerdeel van de muur tot op een hoogte van ca. 60 cm vanaf maaiveldhoogte (Maasdijkzijde) is aangesmeerd en dat dit onderste gedeelte ook iets breder is dan het opgaand muurwerk daarboven. Iemand had dus iets te verbergen.

6. De binnenkant van de muur ter hoogte van het voormalige schoolmeestershuis, Kolonel Wilsstraat 25. In het onderste deel uitsluitend hergebruikte baksteen, mogelijk uit zestiende of zeventiende eeuw. Foto: W.J. Pantus, 2020

Als je eenmaal aan de binnenzijde van dit gedeelte van de muur staat, achter het oude schoolmeestershuis, vallen je de schellen van de ogen. Je kijkt regelrecht eeuwen terug in de geschiedenis. De achterzijde van de muur lijkt namelijk veel ouder dan de voorzijde, aan de Maasdijk. Je staat ook veel lager, ongeveer één tot plaatselijk anderhalve meter beneden het straatniveau. Het onderste deel van de muur bestaat uit zeventiende-eeuwse IJsselsteentjes die ongeveer een handbreed voor de muur uitsteken en tussen even diepe steunberen gemetseld zijn.

7. De binnenkant van de muur ter hoogte van het voormalige schoolmeestershuis, Kolonel Wilsstraat 25. Links een steunbeer van hergebruikte baksteen, rechtsonder IJsselsteentjes, mogelijk nog zeventiende-eeuws. Foto: W.J. Pantus, 2020

De muur bestaat voor ongeveer de helft van de hoogte uit oude, fel oranjerode baksteen die ongetwijfeld hergebruikt is. Deze baksteen lijkt ook nog uit een veldbrandoven te komen, want hij is tamelijk zacht gebakken. Van enig metselverband kan geen sprake zijn, want er zit vrijwel geen enkele hele, onbeschadigde baksteen in. Het bovenste deel van de muur bestaat uit de hardere, donkere machinale baksteen die we al kennen van de voorzijde van de muur.  Om deze lappendeken van metselwerk aan het oog te onttrekken, heeft men de muur aanvankelijk gepleisterd. Nu deze pleisterlaag in de loop der tijden goeddeels is verdwenen, geeft de muur zijn geheimen prijs.[2]

Bij de buurpanden (Kolonel Wilsstraat 23 en 21)  blijkt dat de achterzijde van de muur hier over de gehele hoogte dikker is en uit twee schalen bestaat.

8. De aarde achter het schoolmeestershuis is bezaaid met baksteen van de voormalige stadsmuur en vesting. Vijf kloostermoppen en een estrik (vloertegel) in de zomer 2020 geborgen uit een smalle sleuf achter het huis ter hoogte van de stadsmuur. Foto: W.J. Pantus, 2020
9. Het fundament van de muur ter hoogte van Kolonel Wilsstraat 21. Hieruit werd baksteen geborgen met strekkenmaten van 24-28 cm, vergelijkbaar met de baksteenformaten die werden toegepast bij de bouw van de rondelen. Foto: Olga Rikken, zomer 2020.

Uit het fundament van de muur achter huisnummer 21 werden afgelopen zomer enkele kloostermoppen geborgen met strekkenmaten van 24 tot 28 cm. Dat zegt gelijk iets over de datering, want dergelijke baksteen werd ook gebruikt tijdens de aanleg van de twee rondelen, circa 1521-1522.[3] Het heeft er dus alle schijn van dat we hier te maken hebben met een deel van de vernieuwing van de vesting door Philips van Kleef.

De vesting

Voor een beter begrip is hier een kleine terugblik op het ontstaan van de vesting Ravenstein op zijn  plaats.[4] Globaal kunnen we drie perioden onderscheiden:

10. Overzicht vestingplattegrond Ravenstein, ca. 1650. Handgetekende en ingekleurde plattegrond van de vesting rond 1650. Herkenbaar zijn de drie opeenvolgende vestingen. Lichtbruin = aarden wallen; rood = bakstenen rondelen, landhoofd vóór de Maaspoort en courtinemuren; lichtgroen = hellend talud; groenblauw = gracht rond middeleeuwse stadsmuur en kasteel. Let op de aarden wal aan de binnenzijde van de middeleeuwse stadsmuur, mogelijk aangebracht in 1488 als vingeroefening voor de uitbreidingen door Philips van Kleef tussen ca. 1509 en 1522. Foto: ‘Rauestin’, plattegrond, Brabant-Collectie, Tilburg University R 22 / 020 (7)
  • 11. Uitsnede uit de vestingplattegrond Ravenstein, ca. 1650, bewerkt. De nu teruggevonden keermuur is aangeduid met ++++++++++++++. Uit de tekening wordt bovendien duidelijk waarom er ter hoogte van het kasteel nooit muurresten zijn aangetroffen. Foto: ‘Rauestin’, plattegrond, Brabant-Collectie, Tilburg University R 22 / 020 (7)

    De middeleeuwse stadsmuur met gracht. In 1380 krijgt Ravenstein stadsrechten. Dat houdt het recht in, je als stad te beschermen met een ommuring tegen aanvallen van buitenaf. Kennelijk is men voortvarend aan de slag gegaan, want als de bisschop van Luik de stad in 1387 belegert, druipt hij onverrichterzake af. De stadsmuur en waarschijnlijk ook de gracht moeten dus al voltooid zijn geweest. Het zal een vrij hoge muur met een weergang achter kantelen en met torens op de hoeken zijn geweest. In 1488 wordt deze stadsmuur versterkt door Adolf van Ravenstein, uit het hertogelijk huis van Kleef. Om tegenwicht te bieden aan de grotere slagkracht van de kanonnen, die in de vijftiende eeuw in opkomst zijn, legt hij een dik pakket klei en grond tegen de binnenzijde van de middeleeuwse muur die hij mogelijk ook nog uitbreidde. Het kasteel bleef steeds buiten de stadsmuur en had zijn eigen gracht.

  • De zestiende-eeuwse vesting met aarden wallen en stenen rondelen (bouw 1509-1526). In de zestiende eeuw bleek de middeleeuwse stadsmuur ondanks alle verbeteringen toch nog te kwetsbaar voor de steeds zwaardere kanonnen. In de eerste decennia van de zestiende eeuw jaren, genoemd worden de jaartallen 1509 voor het zuidwestelijke bolwerk en 1521-1522 voor de rondelen aan de Maas, werd de vesting Ravenstein grootscheeps gemoderniseerd en uitgebreid door Philips van Kleef. Aarden wallen met stenen rondelen omvatten nu zowel stad als kasteel. Langs de Maas voorkomt een stenen bekleding van de wal verspoeling door de stroming van de rivier.

Als de hertog van Kleef in de strijd om het bezit van Gelre het onderspit delft tegen keizer Karel V en in 1543 het Verdrag van Venlo getekend wordt, moet Kleef toestaan dat de vesting Ravenstein ontmanteld wordt. Van de manier waarop dat moet gebeuren, wordt in 1544 een nauwkeurige instructie gegeven.[5] Opvallend daarin is dat uitdrukkelijk gesteld wordt dat de gracht rondom het kasteel mag blijven, maar dat de overige grachten moeten worden volgestort met de aarde van de wallen. En, in het kader van dit artikel bijzonder van belang, dat men moet bekijken of de muur langs de rivier neergehaald kan worden ‘zonder dat daarbij de stad en het kasteel het risico loopt [sic!] van een overstroming […], omdat gemelde vestingmuur dient om het water tegen te houden’.[6]

  • De zeventiende-eeuwse vesting met aarden wallen volgens het Oud-Nederlandse Stelsel (bouw vanaf 1621). Na de ontmanteling van de vesting in 1544, waarbij niet helemaal duidelijk is hoe grondig die werd uitgevoerd, duurde het nog tot 1621 dat Ravenstein weer vestingstad werd. In dat jaar, tijdens de woelingen van de Tachtigjarige Oorlog[7], wierp het ‘tijdelijk’ in de stad verblijvende Hollandse garnizoen namelijk met gebruikmaking van de nog bestaande overblijfselen van de vesting van Philips van Kleef een nieuwe vesting op, nu geheel bestaande uit aarden wallen. Het duurde nog tot 1672, het Rampjaar, waarin de Nederlanden door de Fransen onder de voet werden gelopen, dat de Heer van Ravenstein, Philipp Wilhelm, Keurvorst van Pfalz-Neuburg, de soevereiniteit over Ravenstein van de Fransen terugkreeg in ruil voor zijn toezegging de vestingwerken te zullen slechten. Het was echter pas in 1675 dat de ontmanteling van deze laatste vesting haar beslag kreeg.  Deze vesting is de enige die goed gedocumenteerd is, en wel door middel van verschillende plattegronden en tekeningen.

De tekeningen

Een blik op de meest betrouwbare handgetekende en ingekleurde plattegrond, die in de Universiteitsbibliotheek van Tilburg bewaard wordt, laat niet alleen vrij nauwkeurig zien hoe de laatste  (derde) vesting opgebouwd en georganiseerd was, maar geeft tevens inzicht in de eerdere fasen, tot en met die van de middeleeuwse stadsmuur toe. Helaas is de exacte ouderdom van de kaart niet bekend, maar deze moet de situatie van rond 1650 weergeven.[8]

15. Uitsnede uit de Kadastrale minuut, 1811-1832, bewerkt door de auteur. In rood het verloop van de middeleeuwse stadsmuur, met de noordoostelijke toren. In + + + + + + + (aangetoond) en – – – – – – (vermoed) het verloop van de nu teruggevonden zestiende-eeuwse keermuur, behorende bij de uitbreiding van de vesting door Philips van Kleef, 1521-1522. In blauw het vermoedelijke verloop van de bakstenen bekleding van de zestiende- en zeventiende-eeuwse stadswal. In = = = = = = = het stenen rondeel. D y k = stadswal. Foto: coll. RCE, MIN10128VK1

Laten we eens proberen deze oude plattegrond nauwkeurig te ‘lezen’ en dan vooral te letten op de situatie langs de huidige Maasdijk.  Allereerst heeft deze tekening ten opzichte van de meeste andere plattegronden als voordeel dat ze met de hand getekend en ingekleurd is.  Veel plattegronden zijn als gravure verspreid. Dat betekent dat er steeds een tussenpersoon is geweest die de tekening van een ander met behulp van een burijn in spiegelbeeld heeft overgebracht op een koperen plaat en via een drukpers heeft vermenigvuldigd. De lijnen van de tekening moesten dus eerst geïnterpreteerd worden, en daar ging het vaak mis, omdat de graveur niet altijd precies begreep wat hij weergaf. Bovendien zijn gravures voornamelijk in zwart-wit gemaakt en dus ontbreekt de factor kleur om een en ander inzichtelijker te maken.

In de tekening met potlood en pen, waarbij soms gebruik is gemaakt van een liniaal, zijn de functies van bepaalde onderdelen aangegeven door middel van kleur: blauw voor water, rood voor muurwerk, bruin voor de aarden wallen, geelgroen voor de taluds en groen voor grasland. De tand des tijds heeft de helderheid van de kleuren soms wat doen verbleken, maar met wat goede wil kun je ze onderscheiden.

Het mooie van deze tekening is dat alle drie opeenvolgende vestingsystemen die in Ravenstein zijn toegepast herkenbaar zijn, hoewel het eigenlijk een tekening betreft van de situatie rond 1650, van de derde en laatste vesting dus.  Allereerst is daar de middeleeuwse stadsmuur met ronde torens op de hoeken en het kasteel, geheel omgeven door het water van de gracht en slechts door middel van een brug verbonden met de voorburcht. Het ging de tekenaar duidelijk alleen om de verdedigingswerken, want hij duidt verder niets binnen de muur aan, geen straten, geen bebouwing en zelfs geen poorten.

Wat opvalt, maar tot op heden nog door niemand is opgemerkt, is dat de middeleeuwse stadsmuur kennelijk al eerder van binnenuit is versterkt door middel van een aarden wal. Dat is de bruine strook, begrensd door een potloodlijn. Alleen in de hoek waar het kasteel het vuren op de muur toch al belemmert, ontbreekt de aarden versterking. Denkelijk dateert deze extra bescherming uit 1488, toen Adolf van Ravenstein de stadsmuren verstevigde. De gracht om de stadsmuur heen heeft een wat grillig verloop en vult niet de gehele ruimte tussen de middeleeuwse stadsmuur en de zestiende en zeventiende-eeuwse stadswal die beide globaal hetzelfde verloop zullen hebben gehad. Alleen verschilde de vorm van de bolwerken in de zestiende eeuw wat van de bastions in de zeventiende eeuw. En de hoornwerken en ravelijnen zijn ook pas in de zeventiende eeuw toegevoegd.

Toch zien we duidelijke verschillen tussen de Maaszijde ten opzichte van de landzijde van de vesting. Zo heeft de Maaszijde van de vesting een stenen muur en stenen rondelen, aangegeven in rood. Ter hoogte van de Maaspoort zien we een stenen trapeziumvormig ‘landhoofd’.[9] De muur en de rondelen hebben geen schuin aflopend talud, zoals we dat wel zien bij de landzijde van de vesting, aangegeven in geelgroen. De muur vormt hier de begrenzing van een aarden wal en ook de rondelen zijn met aarde opgevuld, aangegeven in bruin. Als je dit verschil in behandeling van de Maaszijde ten opzichte van de landzijde vergelijkt met de instructie van 1544, kun je maar één conclusie trekken: kennelijk heeft men besloten de stenen onderdelen van de zestiende-eeuwse vesting aan de Maaszijde te laten staan. Ze dienden immers om de stad te beschermen tegen hoogwater. In 1621 nam men bij de bouw van de nieuwe, aarden vesting de nog bestaande onderdelen van de oude vesting eenvoudig op in het nieuwe plan.

De hierboven geschetste situatie komt volledig overeen met de uitkomsten van het archeologisch onderzoek. Daarbij is tot nog toe aan de landzijde van de vesting nergens een stenen courtinemuur aangetroffen.[10]  Een courtinemuur is de stenen bekleding van een aarden wal tussen twee bastions. Dat er aan de Maaszijde wel een stenen courtinemuur geweest is, heeft twee redenen. De eerste is zuiver praktisch. Wanneer je een aarden wal aanlegt vlak langs de rivier, spoelt die bij hoogwater vanzelf weg. De wal moest dus beschermd worden. De tweede reden is een historische. De vestingbouw ten tijde van Philips van Kleef bevond zich aan het begin van de zestiende eeuw op het breukvlak tussen de traditie van de hoge stenen stadsmuren met torens uit de middeleeuwen enerzijds en anderzijds de vernieuwing met lage, maar brede aarden wallen en bastions, noodzakelijk om de steeds grotere vuurkracht van de kanonnen het hoofd te kunnen bieden. Philips zit historisch gezien precies daar tussenin, in een overgangsfase, en kenmerkend voor de periode is dat er zowel van aarden wallen als van stenen onderdelen gebruik gemaakt werd.

  • Behalve een goede plattegrond uit de zeventiende eeuw bestaan er ook nog twee zeventiende-eeuwse tekeningen met een aanzicht op de stad.
    12. De enige tot op heden bekend geworden afbeelding van de vesting vanaf de Maas, naar het leven getekend door Valentijn Klotz, gedateerd vlak voor de definitieve slechting van de vesting ‘den 15 November 1674’. De titel luidt ‘T Casteel tot Ravensteijn’. Zichtbaar is van links naar rechts: de aarden wal met courtinemuur tot op ongeveer tweederde van de walhoogte, de iets vooruitspringende bakstenen Maaspoort die even hoog is als de wal, dan juist rechts van de zeilboot, het vooruitspringende Kasteelrondeel, daarachter rijst het kasteel op. Halverwege het kasteel zit er een knik in de muur. Precies daar is de top van een zogenaamde monnik zichtbaar, een gladde ronde pilaar op een stenen beer, die hier oorspronkelijk de vesting verbond met een hier gelegen halfbastion en in 1674 kennelijk was opgenomen in de aarden wal. Op de wal tiert het onkruid welig. Er was dus geen sprake van een traditionele stadsmuur, maar van een groene stadswal. Foto: coll. Rijksmuseum Amsterdam, RP-T-00-174

    Eén van de landzijde waarop, behalve de stenen landpoort, alleen maar aarden wallen te zien zijn, en – in dit kader interessanter – één van de Maaszijde, met het kasteel en de Maaspoort in beeld. Bijzonder is bovendien dat deze laatste tekening exact gedateerd is, ‘den 15 November 1674’, en dus vlak vóór de definitieve ontmanteling van de vesting (in 1675) gemaakt is.[11] Als tekenaar wordt Valentijn Klotz genoemd. Wat we hierboven uitsluitend als plattegrond zagen, zien we nu in perspectief, en dat opent heel andere gezichtspunten. De Maaspoort, uiterst links, is van baksteen, net als het onderste deel van de wal. Rechts van de poort, vlak naast de zeilboot, zien we het kasteelrondeel uitsteken, Boven op de aarden wal tiert het onkruid welig. De rode lijn op de plattegrond markeert dus geen traditionele stadsmuur, met een weergang of borstwering waarachter je je kunt verschuilen, maar slechts een bekledingsmuur, bedoeld om de aarden stadswal tegen verspoeling bij hoogwater te beschermen. Het is dus aannemelijk dat de vestingwerken aan de Maaszijde 1674 in grote lijnen nog hetzelfde beeld vertoonden als vóór 1544: een aarden wal, deels bekleed met baksteen. De waterkering mocht immers intact blijven.

Terug naar de muur

Op zoek naar het precieze verloop van de wal met zijn bekledingsmuur kwamen, zoals in het voorafgaande uiteengezet is, in het fundament van de oude tuinmuur langs de Maasdijk oude bakstenen aan het daglicht met formaten die overeenkwamen met de baksteenformaten van de rondelen. Dat kan een aanwijzing zijn dat het hier niet zomaar om een oude tuinmuur gaat, maar om een onderdeel van de vestingwerken die Philips van Kleef in de periode 1521-1522 heeft laten aanleggen. De vraag is alleen, hoe dan?

Laten we eens kijken of er nog andere bewijzen te vinden zijn van een zestiende-eeuwse muur in het verlengde van de bestaande tuinmuur aan de Maasdijk.

13. Gezicht op de binnenzijde van de keermuur uit de zestiende-zeventiende eeuw, in het verlengde van de besproken tuinmuur, aan het licht gekomen tijdens de voorbereidende werkzaamheden voor de bouw van het complex D’n Bok, najaar 1993. De foto is genomen ter hoogte van de huidige huisnummers Maasdijk 38A-38. Foto: coll. Gemeente Ravenstein in BHIC Beeldbank, foto nr. 1665-000417

Gelukkig heeft een oplettende anonieme fotograaf opnamen gemaakt tijdens graafwerkzaamheden voorafgaande aan de bouw van het complex D’n Bok in het najaar van 1993. En jawel, tijdens het uitschachten van de bouwput kwam  precies in het verlengde van de tuinmuur een diep gefundeerde, ogenschijnlijk niet heel brede muur te voorschijn die blijkens het bijschrift op de website van het BHIC door Marja Vos behoorde bij de ‘16de-17de eeuwse omwalling.[12] Het vermoeden dat de muur aan de binnenzijde van de straat doorloopt, minimaal van Maasdijk 40 tot aan de hoek met de Walstraat/het Bokrondeel, wordt dus bevestigd en de vondst van kloostermoppen in het fundament van de huidige tuinmuur was dus geen op zichzelf staand incident.

Tijdens bouwwerkzaamheden afgelopen zomer kwam niet alleen het fundament van déze muur in het zicht, maar ook het fundament van de achtergevels van Kolonel Wilsstraat 21 en 23, een tweelingpand dat volgens een historische bron dateert uit 1620. [13]

14. De kelder van het pand Kolonel Wilsstraat 23, opgetrokken uit middeleeuwse kloostermoppen, een restant van de ter plaatse lopende stadmuur. Foto: W.J. Pantus, 2020

Dat mag een respectabele ouderdom zijn, maar wie de moeite neemt af te dalen in de gewelfkelder van nummer 23, ziet onmiddellijk dat hier meer aan de hand is. De kelder is opgetrokken uit kloostermoppen, met strekken van 28-29 cm,  middeleeuwse baksteen dus. Maar wat het meest opvalt is dat de buitenmuur op kelderniveau wel heel zwaar uitgevallen is. Deze meet maar liefst één meter, wat overdreven is voor een woonhuisgevel van één bouwlaag met een zolderverdieping.  De conclusie: dit is het fundament van de overbodig geworden middeleeuwse stadsmuur waarop rond 1620 de twee topgevels van nummer 21 en 23 opgetrokken zijn.

We hebben nu dus twee muren: een dikkere uit de middeleeuwen, de stadsmuur waaraan vanaf 1380 gebouwd is, en een smallere uit 1521-1522.  Vergelijken wij de aangetroffen situatie met de zeventiende-eeuwse plattegrond, dan is er maar één conclusie gerechtvaardigd: hier is een muur teruggevonden die deel uitmaakte van de zestiende-eeuwse vesting. Sterker nog: deze is heden ten dage nog deels bewaard gebleven in de oude tuinmuur langs de Maasdijk.  Vanwege zijn geringe dikte kan de zestiende-eeuwse muur echter onmogelijk als nieuwe, sterkere stadsmuur gediend hebben. Dat zou ook niet logisch zijn, want de opdrachtgever van de bouw, Philips van Kleef, was bekend met vernieuwende vestingbouwideeën, zoals genoegzaam uiteengezet is door Van Mourik.[14] Juist in de tijd van Philips van Kleef maakten, in een poging het hoofd te bieden aan de steeds grotere vuurkracht van de kanonnen, de traditionele dikke, hoge stadsmuren plaats voor aarden wallen, die als taak hadden de kanonskogels te smoren. De rondelen waren dus met elkaar verbonden door aarden wallen, precies zoals de tekening van Valentijn Klotz het ruim anderhalve eeuw later ook nog laat zien.

Wat was dan de functie van de teruggevonden zestiende-eeuwse muur? Deze diende als grondkerende muur aan de stadszijde van de zware aarden wal, rond 1521-1522 aangelegd tijdens de uitbreidings- en moderniseringscampagne van Philips van Kleef, om te voorkomen dat de zand- en kleimassa van de wal in de richting van de gracht rondom de middeleeuwse stadsmuur zou schuiven. De afstand tussen de nieuwe stadswal en de oude stadsmuur bedroeg hier immers niet meer dan zes meter. Ook vandaag de dag fungeert de huidige muur nog steeds als grondkerende muur.  De tuinen van de huizen aan de Kolonel Wilsstraat liggen deels één tot anderhalve meter onder het Maasdijkpeil, een gevolg van de ligging ter plaatse van de stadsgracht. Na de slechting van de vesting in 1675 is de binnengracht weliswaar gedempt met de afkomende aarde van de wal, maar een opvallend hoogteverschil is tot op de dag van vandaag blijven bestaan.

Nog een muur?

Maar er moet behalve de hierboven besproken muur aan de stadszijde van de wal nóg een muur zijn geweest die tot op heden nog nergens aangeboord is. Aan de Maaszijde van de aarden wal moet een bakstenen bekleding zijn aangebracht om te voorkomen dat de wal bij hoogwater zou wegspoelen. Het was déze muur die aansloot op de rondelen en in rood is aangegeven op de zeventiende-eeuwse plattegrond.  Maar ook dat was geen traditionele stadsmuur. Kortom, er heeft helemaal nooit een zestiende-eeuwse stadsmuur bestaan. Dat is ook de reden dat hij bij boringen en opgravingen nooit is aangetroffen. Het idee om bij de op handen zijnde dijkverzwaring de dijk ter hoogte van de stad te verstevigen met een muur met borstwering, ‘om Ravenstein meer herkenbaar te maken als karakteristieke vestingstad aan de Maas’ is dan ook buitengewoon ongelukkig.

Bij de instructie op de ontmanteling van de vesting in 1544 was bepaald dat de muur (lees: bekledingsmuur)  langs de Maas mocht blijven staan, omdat hij onderdeel was van de waterkering. En waar moet dan de stenen bekleding van de stadswal aan de Maaszijde gezocht worden? Midden in de huidige Maasdijk, ongeveer ter hoogte van de goot langs de lindebomen. De dijk is immers verschillende malen verstevigd en verbreed, en de enige manier waarop dat kan, is aan de rivierzijde.

Tot slot

Uit bovenstaande mag genoegzaam blijken dat een muur met een borstwering met de bedoeling enerzijds het peil van de Maasdijk te verhogen en anderzijds het vestingkarakter van Ravenstein te versterken geen recht doet aan de historische werkelijkheid.  Aangezien er sprake was van aarden wallen, die al snel begroeid raakten, droegen ze vanuit de stad gezien een groen karakter. Alleen van de Maas uit gezien was er een strook van baksteen zichtbaar, met aan weerszijden bakstenen rondelen  en in het midden de bakstenen Maaspoort. Dit zou het uitgangspunt moeten zijn bij de toekomstige dijkverzwaring. Alle andere oplossingen vervalsen het beeld dat je van de vestingstad Ravenstein zou willen oproepen.

 

Met dank aan: Philmi van Boxtel, Niels van Dijk en Olga Rikken. Bouwhistorisch advies: Hein Hundertmark

 

[1] Rijksmonumentenregister, monumentnummer 32343 ‘18e eeuwse voor- en achtergevel’.

[2] Het gaat hier uitdrukkelijk alleen maar om waarnemingen, zonder archeologisch of licht destructief onderzoek. Om zekerheid te verkrijgen over de aard, de herkomst en de ouderdom van het hergebruikte bouwmateriaal, de aanwezigheid van oorspronkelijk muurwerk, de diepte en breedte van het oorspronkelijke fundament zal archeologisch en bouwhistorisch onderzoek moeten plaats vinden.

[3] Van Genabeek mat bij het dichtstbij zijnde Oranjebolwerk (Bokrondeel) strekken van 24,5/25cm tot 26/27,5 cm. Zie R.J.M. van Genabeek, Archeologisch onderzoek naar de vestingwerken van Ravenstein, ’s-Hertogenbosch 1997.

[4] Een beknopt en helder overzicht geeft E.J. Brans, Waterkering Ravenstein. Cultuurhistorische Inventarisatie en Betekenistoekenning. In opdracht van Heidemij Advies, voor Waterschap de Maaskant, 18 oktober 1995

[5] Van Mourik geeft in zijn boek Het Philips van Kleefbolwerck (anno 1509) in Ravenstein (Ravenstein 2016) een nauwkeurige vertaling van de oorspronkelijk Franstalige tekst weer.

[6] Idem, p. 98

[7] Voor Ravenstein eigenlijk de Dertigjarige Oorlog.

[8]‘Rauestin’, plattegrond, Brabant-Collectie, Tilburg University R 22 / 020 (7)

[9] De term ‘landhoofd’ wordt gebezigd door R.J.M. van Genabeek, Archeologisch onderzoek naar de vestingwerken van Ravenstein, ’s-Hertogenbosch 1997, p. 4, afb. 1.

[10] J. de Winter en S. Arnoldussen, Aanvullend Archeologisch Onderzoek te Ravenstein-Molensingel, Leiden 2002, p. 9

[11] De tekening berust in de collectie van het Rijksmuseum te Amsterdam, RP-T-00-174.

[12] Het gaat om BHIC-beeldbank foto nr. 1665-000417. De foto is genomen ter hoogte van de huisnummers Maasdijk 38A-37.

[13] Bouwhistorisch rapport Gemeente Ravenstein, Kolonel Wilsstraat 23/Maasdijk 39 te Ravenstein, opname 1995/2002

[14] M.J. van Mourik, Adolf en Philips van Kleef, soevereine Heren van het Land van Ravenstein (1450-1528), Ravenstein 2019, p. 136-137.